Artikelen

 


 

 

 

Dingeman Korstanje

Open het Pdf-bestand om de tekst te lezen








Parlevinkerspad Hansweert

Frank de Klerk

Reeds enige tijd is de Dorpsraad Hansweert samen met de Heemkundige Kring bezig om een dergelijk pad te realiseren. Her en der worden in dorpen zogenaamde ommetjes met nieuwe informatieborden aangegeven. In Hansweert leent een terrein bij het dorp zich wel heel erg voor een dergelijk ommetje of wandeltochtje, namelijk het vroegere sluizencomplex ten oosten van het dorp. Bij de aanleg van de nieuwe sluizen verderop naar het oosten vervielen de oude, monumentale, of zo u wilt, krakkemikkige sluizen uit 1866 en later. Het Rijk wist geen betere oplossing te verzinnen voor de sluizen en de oude buitenhaven, dan deze vol met zand te storten. Veel van de sluishoofden, -deuren en vroegere paden bleven bewaard. Dit is het gebied waar het Parlevinkerspad zal worden uitgezet. Met een handvol informatieborden zal veel historie over het kanaaldorp Hansweert worden aangeboden aan de wandelaar. Voor de borden, die in samenwerking met de Stichting Landschapsverzorging Zeeland worden uitgevoerd, is op ruime schaal sponsoring binnengehaald. De route zal zich niet tot de vroegere sluizen beperken, maar ook het dorp zelf aandoen.

Hansweert lijkt een dorp dat pas historie heeft vanaf de aanleg van het kanaal door Zuid-Beveland, maar niets is minder waar. Al in de veertiende eeuw ontstaat het, een eeuw later is er een kapel gewijd aan St. Thomas, en in de zestiende en zeventiende eeuw gebeurt er ook het nodige. Daarna wordt het wat stil, totdat in 1808 de dijken breken en bij Hansweert een groot stuk polder verdwijnt. Enkele tientallen jaren later beginnen de eerste kanaalwerken, die in die tijd wel worden vergeleken met de bouw van de Toren van Babel. Zodra het kanaal en de sluizen er liggen barsten zowel Hansweert als Wemeldinge, dat andere kanaaldorp, al snel uit hun voegen. De horeca profiteert enorm van de schepelingen die aan wal komen, en ook de winkeliers. Nu komen de parlevinkers opzetten, leurders die vanaf de sluismuren en in het kanaal met bootjes hun waren te koop aanbieden. Zij geven hun naam aan het wandelpad. Er zijn veel historische gegevens verzameld en ook beeldmateriaal. Verder zijn de laatste parlevinkers van het dorp door de Dorpsraad geïnterviewd. Men wil namelijk niet volstaan met alleen het Parlevinkerspad; er zijn ook al plannen in de maak om aan de Boomdijk een Juttersmuseum uit de grond te stampen. Als een schip zijn lading verloor (of verliest), dan zijn de goederen die aanspoelen Rijkseigendom, althans volgens de wet. Wetskennis was niet bij iedereen in Hansweert aanwezig, zodat er veel aangespoelde goederen van waarde gejut werden. Gevoegd bij thema’s als de Eerste (tienduizenden Belgische vluchtelingen) en Tweede Wereldoorlog, scheepsrampen en -bergingen, de Ramp, de scheepswerf, Maria-oord, de rooms-katholieke en de nederlands-hervormde kerk, enz. enz. hoeft voor een interessante invulling van dit museum niet te worden gevreesd. Het Parlevinkerspad zal deze zomer (als alles meezit) worden geopend.

 



De wonderbaarlijke bevalling van Lena Bruinzeel

J.H. Midavaine

In 1830 werd Hein Meerburg Snarenberg tot over zijn oren verliefd op de boerendochter Lena Bruinzeel uit Kattendijke. Hein, wiens officiële voornaam Hendrik luidde, was de achttienjarige zoon van de predikant Johannes Meerburg Snarenberg uit datzelfde dorp en zes jaar jonger dan zij.1) Zijn verliefdheid stak hij niet onder stoelen of banken, want hij volgde haar overal op de voet. Het duurde dan ook niet lang of het paar kreeg verkering en meermalen vroeg Hein of ze met hem wilde trouwen. Toen Lena's ouders erachter kwamen dat hun dochter omgang had met de zoon van de predikant, pakte het heel anders uit dan ze had verwacht. Leendert Bruinzeel en zijn vrouw Maria Feijtel waren van mening dat een huwelijk tussen hen beiden geen stand zou houden omdat Hein niet van het platteland kwam en tot een andere stand behoorde. Het werd oorzaak van bijna dagelijkse ruzies. Omdat Lena haar zin niet kreeg, liep ze op een dinsdagmorgen toen haar ouders naar Goes waren, van huis weg. Het plan was haar ingegeven door Hein, die haar dan net zoveel zou kunnen zien als hij wou. Ze trok in bij Kees van Dee en zijn vrouw in Wemeldinge, een paar behoeftige mensen die in ‘het hooge huis’ woonden. Maar de vrijheid was van korte duur, want na drie dagen kwam haar vader haar al weer ophalen. Hierna ging het leven zijn gewone gangetje en Lena en Hein bleven elkaar ontmoeten. Iedere week deed Lena samen met haar moeder de was. In het begin van de maand oktober 1831 viel het haar op dat Lena ‘in geen twee keren als naar gewoonte de maand stonden gekregen had’. Hierop vroeg ze haar dochter of ze wat mankeerde. Vier jaar daarvoor had ze ook ruim drie maanden lang niet gemenstrueerd toen ze leed aan ‘de platte ziekte’. Doctor Elzman moest er toen aan te pas komen om haar te genezen. Nadrukkelijk vroeg haar moeder of ze soms ‘slechte dingen met dien Snarenberg had gedaan’. Gelukkig kon Lena haar geruststellen door te zeggen dat er niets aan de hand was. Maar toen ‘de stonden’ nog langer uitbleven, zei haar moeder dat ze de dokter zou laten komen. Lena, die met Hein meer had gedaan dan enkel gezoend, besefte nu dat ze van hem in verwachting was. Uit angst om door het te verzwijgen door de dokter verkeerde medicijnen voorgeschreven te krijgen, bekende ze haar moeder dat ze zwanger was. Haar vader mocht het voorlopig niet weten. Doch dit zou niet lang duren, want in korte tijd verspreidde het gerucht zich in het dorp en kwam hij er ook achter. Vanaf dat moment verbood hij haar nog langer om te gaan met de zoon van de predikant. Dit betekende dat ze elkaar nu stiekem moesten ontmoeten. Omdat Lena's ouders iedere dinsdag naar de markt in Goes gingen, spraken ze de eerstvolgende dinsdagmorgen met elkaar af en kwam Hein naar de hofstede. Maar zijn bezoek bleef niet ongezien en twee dagen later kreeg Lena's moeder het te horen. Ze werd zo kwaad dat ze 's middags een bord met aardappels en paling naar het hoofd van Lena smeet. Die pakte daarop gelijk haar spullen en nam de benen. Ze ging naar buurman Cornelis Merison en vertelde diens vrouw dat ze niet langer thuis kon blijven omdat ze werd mishandeld en vroeg om onderdak. Omdat er geen bed voor haar was, werd er een gehaald bij Kootje Vreeke. Aan kostgeld moest ze ƒ 2,50 betalen, wat ze deed van het geld dat ze van haar ouders ter gelegenheid van de kermis en het nieuwe jaar had gekregen. Vier weken lang is ze bij Merison in huis geweest. Door bemiddeling van de burgemeester kwam haar vader haar toen weer ophalen. Hij zei dat haar moeder er nu vrede mee had als ze met Hein zou trouwen. Wel hadden ze besloten dat ze bij haar huwelijk niet meer zou krijgen dan haar kleren en haar kabinet en na hun dood niets zou erven. Intussen was het ook voor Hein tijd geworden om met zijn ouders over het voorgenomen huwelijk te praten. Zijn vader, die nog kindergeld van hem trok, wilde geen toestemming geven voor hij twintig was. Hij moest wachten tot januari 1833 eer het zover was. Toen Lena Hein vertelde dat ze bij haar huwelijk onterfd zou worden, verbrak hij de verkering. Omdat de tijd niet stil had gestaan, werden er door Lena's moeder voorbereidingen getroffen voor de komende bevalling. Deze stond gepland op eind april. Ze kocht een mand vol kindergoed en er moest uitgekeken worden naar een min. Intussen had Lena Hein nog één keer gezien toen ze met de meid naar de pastorie ging en hij bij de haard zat. Omdat ze hem niet wilde ontmoeten, was ze omgedraaid en naar huis teruggelopen. Hein had intussen spijt gekregen dat hij de verkering had uitgemaakt en stuurde de vrouw van Cornelis Merison naar Lena met de boodschap dat hij weer omgang met haar wilde hebben. Ook via buurvrouw Adriana Geene liet hij dit weten. Beide keren gaf Lena ten antwoord dat hij alleen welkom was als hij met haar wilde trouwen. Hij mocht haar niet meer achterna lopen, want dan zou ze opnieuw ruzie met haar ouders krijgen. Hein schreef terug dat hij wel wilde trouwen, maar dat zijn ouders nooit toestemming zouden geven als ze onterfd zou worden en ze hen niet zouden onderhouden. De vrouw van Merison bracht de brief bij Lena. Zij schreef terug dat ze haar ouders nooit zover zou krijgen om dit terug te draaien. In januari nam Lena's moeder de drieëndertigjarige Janna Kloosterman als boerenmeid aan. Voorlopig zou ze tot mei in dienst kunnen blijven. Omdat Janna, die weduwe was van Adriaan Westveer, drie kinderen had gebaard, zou ze als min dienst kunnen doen, zodat ze er geen hoefde aan te nemen. En Maatje de Jong uit Wemeldinge, die op een middag naaiwerk op de hofstede deed, werd gevraagd om enige dagen het werk te komen doen als Lena in het kraambed zou liggen. Op 8 april gingen Lena en Janna rond zeven uur 's morgens op pad naar Goes. Daar zouden ze koffie gaan drinken bij Poepe Mietje in de Lange Vosstraat. Poepe Mietje, die eigenlijk Johanna de Wit heette, maar bij haar klanten beter bekend stond onder haar bijnaam, was handelaarster in oud ijzer en geglazuurd aardewerk. Regelmatig bezocht ze de hofstede van de familie Bruinzeel en als de gezinsleden 's dinsdags in de stad waren, gingen ze bij haar op de koffie. Bij Poepe Mietje aangekomen liet Janna haar falie (mantel) achter en ging alleen door naar haar ouders in Heinkenszand. Op het eind van de middag zou ze hem weer op komen halen en dan samen met Lena naar Kattendijke teruggaan. Nadat Lena met Poepe Mietje koffie had gedronken, kreeg ze pijn in haar buik. Het was zo erg, dat ze zich met beide handen aan de tafel moest vasthouden. Gelukkig werd de pijn na enige tijd wat minder, maar helemaal over ging ze niet. Poepe Mietje, die van haar zwangerschap afwist, dacht dat ze barensweeën kreeg en zei dat ze het beste maar zo snel als ze kon naar huis moest terugkeren. Om niet te hoeven lopen, zou ze met het rijtuig van Abraham Kopmels gebracht kunnen worden. Maar Lena wilde dat volstrekt niet hebben. Tegen de middag was de pijn gezakt en samen aten ze rijst met krenten. Rond kwart voor drie verliet Lena de woning om naar haar zeggen nog katoen en andere goederen voor haar aanstaande kraamkind te kopen. Ze zei dat ze binnen een uur terug zou zijn. Maar het duurde tot even na vijven voor ze er weer was. Ze had haast en na nog snel een kop koffie gedronken te hebben zei ze dat ze op pad ging naar Kattendijke. Ze vroeg aan Poepe Mietje of ze tegen Janna wilde zeggen dat ze op de Kattendijksedijk op haar zou wachten. Toen even later Janna kwam, zei ze dat ze op moest schieten, want het kwam haar voor dat Lena ieder ogenblik in de kraam kon komen, waarop Janna haar dadelijk achterna is gelopen. Op de Kattendijkseweg haalde ze haar in en vervolgens zijn beide naar de hofstede teruggegaan. Zoals te verwachten was, is nog diezelfde avond Lena bevallen. Kort nadat haar ouders om negen uur naar bed waren gegaan is het kindje geboren. Er was geen tijd om verdere maatregelen te nemen en Janna Kloosterman, die al drie weken in dezelfde kamer als Lena sliep, zorgde ervoor dat alles prima verliep. Om tien uur vond Janna het tijd om Lena's ouders van de komst van de kleine op de hoogte te brengen. Ze ging naar hun slaapkamer en vroeg aan Leendert: ‘Baas, ben je wakker?’ Deze beantwoordde de vraag bevestigend, waarop Janna het kindje op haar arm nam en aan Leendert liet zien. ‘Hier is het kind van je dochter’, zei ze, ‘het is een jongetje’. Intussen was ook Lena's moeder wakker geworden. Ze kreeg tranen van vreugde in haar ogen en slechts half gekleed snelde ze naar haar dochter om haar geluk te wensen en haar aan te sporen tot bedaardheid. Toen dat was gebeurd stuurde ze Janna naar de naaste buren om de vrouwen uit te nodigen voor een koffiemaaltijd, zoals dat vroeger op het Zuid-Bevelandse platteland bij een geboorte de gewoonte was. Eenmaal aan tafel gezeten vroeg Leendert tot tweemaal toe aan Janna waar ze met de nageboorte was gebleven. Bij zijn eigen kinderen had hij die altijd zelf opgeruimd. Bij herhaling antwoordde ze dat ze die ‘behoorlijk geborgen had’ en ze voegde er nog aan toe: ‘daar moet gij nooit meer over denken’. Vervolgens informeerde hij hoe dat alles toch zo spoedig in zijn werk was gegaan. Janna vertelde hem dat het kind zo schielijk was gekomen dat er geen tijd was geweest om iemand te kunnen roepen en om verdere vragen te voorkomen zei ze dat ze intussen ook nog de vloer had opgedweild. Nog diezelfde avond laat ging Leendert naar de burgemeester om het kind aan te geven. Hij noemde het Jacob, maar omdat hij geen getuigen bij zich had, kon de aangifte niet plaatsvinden. De ambtenaar zei dat hij de akte intussen wel zou schrijven, maar dat hij later met twee getuigen moest terugkomen om hem te ondertekenen. Gezien de ontwikkelingen die daarop volgden, is dat nooit meer gebeurd en treffen we in de burgerlijke stand van Kattendijke van die dag een doorgestreepte akte aan, die gedeeltelijk is ingevuld. Drie dagen later bracht Pieter Bruinzeel, een broer van Lena, in de namiddag een voer graan naar Goes. Daarna ging hij nog even in de stad op bezoek bij de weduwe Sluijters. Die vertelde hem dat in het Manhuis in Goes de ongehuwde Helena de Laat op 8 april was bevallen van een kind. Toen Jacomina Langesoorde haar melk bracht en haar vroeg om het eens te mogen zien, had Helena gezegd dat dat niet kon omdat Lena Bruinzeel het 's zondags had meegenomen naar Kattendijke. Toen Pieter even later in de stad Laures Laurusse ontmoette en bij hem informeerde of het verhaal klopte, kreeg hij een bevestigend antwoord. Terug in Kattendijke vertelde hij het aan zijn ouders. Intussen had ook zijn broer Marinus deze geruchten vernomen. Marinus, die diaken in Kattendijke was, ging met dit bericht naar ds. Meerburg Snarenberg en samen met hem en Hein zijn ze naar Goes gegaan om bij Helena navraag te doen. Toen zij had verteld dat ze inderdaad haar pasgeboren zoon had afgestaan, zeiden ze dat ze hem de volgende dag weer zouden terugbrengen. Ze was daar blij mee, want ze had van Maatje Blommert gehoord dat het kind niet goed behandeld werd en zelfs in de oven had gelegen. De dag daarna brachten Leendert Bruinzeel en de predikant het jongetje terug naar zijn moeder in Goes. Deze had het inmiddels op 10 april door de vroedvrouw en twee getuigen onder de naam Leendert in de burgerlijke stand van Goes laten inschrijven. De burgemeester van Kattendijke, die ook van het geval op de hoogte werd gebracht, wilde zekerheid omtrent de bevalling. Hij ontbood daartoe de stadsvroedmeester F. Pieterse uit Goes. Deze kwam op 15 april na uitgebreid onderzoek tot de conclusie dat Lena niet alleen toen of kort ervoor, maar zelfs nooit een voldragen vrucht had gedragen. Als hoofd van de politie was het de taak van de burgemeester om aangifte te doen bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Goes. Lena werd verdacht van ‘het aan zich zelve ondersteken van een kind waarvan zij niet was bevallen’ en Janna Kloosterman werd als medeplichtige hiervan gezien. Nog diezelfde dag werd Janna opgesloten in het Huis van Arrest in Goes en ook Lena zou dit lot moeten ondergaan. Maar omdat dit bij haar moeder, die enige jaren daarvoor aan een hersenziekte had geleden, weer een vlaag van krankzinnigheid teweeg zou brengen, werd op doktersadvies hiervan voorlopig afgezien. Hierna begonnen de verhoren en daarbij kwam aan het licht dat Lena halverwege de maand februari weer net als vroeger ongesteld was geweest. De spanning in haar buik, die ze gevoeld had sinds ze in oktober van het vorige jaar een paar weken koorts had gehad, was ook verdwenen. Ze besefte dat ze niet meer in verwachting was en daarmee vervloog de laatste kans om ooit met Hein te kunnen trouwen. In de derde week van diezelfde maand sprak ze erover met Janna Kloosterman voor wie de boodschap ook een grote teleurstelling was omdat ze het extraatje als min zou komen te missen. Volgens Janna zouden ze in het dorp denken dat ze de vrucht had laten afdrijven. Doch wat de mensen ervan dachten kon Lena niets schelen, het voornaamste was dat ze geen kind zou baren. Al pratende opperde Janna het plan om toch maar te doen alsof ze nog steeds zwanger was en rond de tijd dat de bevalling gepland stond een kindje te lenen. Ze vertelde er nog bij dat dat wel vaker gebeurde en eigenlijk heel normaal was. Zo werd besloten en alleen zij tweeën wisten ervan. Om de suggestie te wekken dat ze in verwachting was, stopte Lena een kussen onder haar hemd zodat het leek of ze een dikke buik had en niemand had iets in de gaten. Op een dag kwam Janna thuis met de mededeling dat ze had horen zeggen dat Helena de Laat binnenkort een kind zou baren. Janna kende haar omdat ze in de Wilhelminapolder werkte. Ze woonde in het Manhuis in Goes, was nog ongehuwd en voor de tweede keer in verwachting. Het Manhuis was in die tijd een opvangtehuis voor daklozen en armen en stond onder toezicht van de diaconie. Het twee verdiepingen tellende gebouw had dertig kamertjes van ruim twaalf vierkante meter waarin soms hele gezinnen werden gehuisvest. Toen Lena en Janna eind februari of in het begin van maart op een zondag koffie zouden gaan drinken bij Poepe Mietje zei Lena onderweg naar Goes: ‘Ik zal dan nu eens naar die Lena de Laat gaan’. Janna ging naar het Manhuis en vroeg Helena naar buiten te komen. Na deze boodschap gedaan te hebben, ging ze door naar Poepe Mietje zodat de beide Lena's ongestoord konden praten. Lena Bruinzeel vroeg Helena of ze zin had om in mei van dat jaar te komen werken als meid op het hof van haar moeder. Ze voelde daar wel voor, maar omdat ze in de kraam kwam te liggen, kon dat niet. ‘Denk er nog maar eens over na’, zei Lena Bruinzeel, waarop ze naar Poepe Mietje vertrok. Een week later kwam ze terug en informeerde of ze al over haar vraag had nagedacht. Weer kreeg ze te horen dat het niet kon vanwege de aanstaande bevalling. Toen kwam Lena met haar plan op de proppen. Ze zei dat ze het kind aan haar zou kunnen afstaan. Ze ging trouwen en in een huisje in Kattendijke wonen. Ze zou beter voor het kind kunnen zorgen dan zij. Janna van Wijngaarde, die erbij was, kon dit alleen beamen. Elke dag zou ze op bezoek mogen komen. Helena antwoordde dat er nog tijd genoeg was, waarop het gesprek ten einde was. De week daarop bracht Lena een kinderhemdje, een hemdrok, een luier, twee kindermutsjes en twee mofjes bij haar. Toen Lena Bruinzeel op zondagmorgen 8 april om half tien voor de vierde maal bij Helena de Laat aanklopte werd de deur door haar moeder geopend. Ze zei dat ze niet binnen kon komen omdat Lena net was bevallen. Daarop ging Lena naar Poepe Mietje om later in de middag naar het Manhuis terug te gaan. Het kostte haar niet veel moeite om Helena te overreden het kind aan haar af te staan. Ze wikkelde het in haar schort en ging ermee op pad. Zoals eerder geschreven ontmoette ze op de Kattendijksedijk Janna en samen liepen ze terug naar de hofstede. Daar werd het kind voorlopig in de bakkeet gelegd in afwachting van het moment dat het ‘geboren’ kon worden. Verschillende malen die avond ging Janna ernaar kijken en het viel Lena's vader op dat ze zo vaak naar buiten ging. Toen hij ernaar vroeg zei Janna dat ze pijn in haar buik had en steeds naar achter moest. Toen Lena's ouders om negen uur naar bed waren gegaan, werd het kind uit de bakkeet gehaald en bij Lena gebracht. Janna waste het en kleedde het aan met kleertjes die Lena's moeder had gekocht. Om te doen lijken dat Lena echt bevallen was, gooide Janna een emmer water om en dweilde het vervolgens weer op. In de dagen na de bevalling legde ze natte doeken op Lena's borst om haar ouders langs die weg in de waan te brengen dat het zog uit haar borsten was gelopen. Op 22 juni werd de zaak door het Hooggerechtshof te 's-Gravenhage verwezen naar het Hof van Assisen in Middelburg. Een zestal getuigen werden opgeroepen, waaronder Helena de Laat en de naaste buurvrouwen van de familie Bruinzeel. Op 4 juli volgde de uitspraak en werden Lena en Janna ‘niet schuldig verklaard’ en op vrije voeten gesteld. De verkering tussen Lena en Hein zal hierna wel definitief ten einde zijn geweest. Alhoewel ... een jaar later, op 20 november 1833 beviel Lena van een dochter, die de naam Cornelia kreeg. Omdat in de geboorteakte de naam van de vader niet wordt genoemd, weten we niet of Hein hiervoor verantwoordelijk is geweest. In ieder geval is hij niet met Lena getrouwd, want op 14 december 1838 trad ze in het huwelijk met Johannes Bustraan uit Wemeldinge, zoon van Willem en Tannetje van de Perel. Hierna kreeg ze nog vier kinderen, waarvan er twee levenloos ter wereld kwamen, de derde slechts drie weken geleefd heeft en de vierde, Willem genaamd, volwassen is geworden en voor nageslacht heeft gezorgd. Haar dochter Cornelia overleed op 23 maart 1844 op tienjarige leeftijd. Lena zelf is op 6 maart 1881 in haar woonplaats Kattendijke overleden, ze is 75 jaar geworden. Haar man overleed vijf jaar later. Tot slot rest me nog te vermelden dat de kleine Leendert nog iets meer dan twee weken geleefd heeft nadat hij door Leendert Bruinzeel en de dominee weer bij zijn moeder was teruggebracht.

Noot:
1. Ds. Johannes Meerburg Snarenberg is te Leiden geboren op 11 oktober 1790. Als kandidaat op 7 mei 1815 beroepen te Vrouwenpolder, in Aagtekerke op 4 juni 1819 en te Kattendijke op 1 april 1827. Hij is overleden bij zijn zoon in Kruiningen op 30 januari 1847. Op 11 februari 1811 was hij in Leiden getrouwd met Johanna Bloemendaal (otr. 31.01.1811), gedoopt op 10 december 1789 te Leiden.

Geraadpleegde bronnen en literatuur:
Zeeuws Archief, Rechterlijke Archieven 1796-1838, inv. nr. 136 vonnis nr. 3293. Archief strafinrichtingen Zeeland, inv. nr. 355, inschrijvingsnummer 303 en 304. Burgerlijke stand van Kattendijke en Goes.

 

Een vergeten oorlogsmonument in Wissenkerke*

Gerard de Fouw en Bart van Leerdam

Inleiding
Op de begraafplaats van Wissenkerke staat het grafmonument voor Andries Dieleman, geboren op 2 april 1908 te Wissenkerke en gefusilleerd op 11 september 1944 te Valkenisse. Een vergeten oorlogsmonument in Wissenkerke en op Noord-Beveland.

Het verhaal
Nederland is sinds 10 mei 1940 bezet door de Duitsers, zo ook het eiland Noord-Beveland. Veel gebeurt er niet in de beginjaren. Het zijn meest kleine schermutselingen en luchtgevechten boven het eiland. Dan wordt het 4 september 1944. Antwerpen valt in handen van de geallieerden. Vijf kilometer kade, veertig kilometer dokken en meer dan zeshonderd kranen komen ongeschonden uit de strijd. Daarmee kunnen de geallieerden in snel tempo veel goederen lossen. De optimistische geluiden en foute berichten van de Nederlandse regering in Londen en van Radio Oranje leiden een dag later tot Dolle Dinsdag. Zij vertelden dat Nederland elk moment bevrijd kon worden van de Duitse bezetting. Maar het duurde nog tot 5 mei 1945 voordat Nederland echt bevrijd was.

Reeds vroeg in de morgen van dinsdag 5 september beginnen Duitse soldaten en NSB’ers in paniek via het veer Kortgene-Wolfaartsdijk het eiland Noord-Beveland te verlaten. Dit gebeurt in heel Zeeland. Maar niet voor lang. In heel Zeeland maken de radioberichten de mensen opgewonden, maar nergens zo erg als op Noord-Beveland. Een paar ambtenaren komt nu in actie. Het lukt hen de veerboot Kortgene-Wolfaartsdijk onklaar te maken. Waarschijnlijk willen ze de Duitsers gevangen houden op het eiland tot de bevrijders komen. Met de auto van de dokter Bruynzeel uit Wissenkerke, die zij hadden gestolen, rijden zij over het eiland. Steeds meer neemt de opwinding onder de bevolking toe. Veel mensen steken de vlag uit omdat zij denken dat Noord-Beveland is bevrijd.

We hebben er een verslag van. Het is geschreven door het Kortgeense meisje Corrie Schippers. Ze was leerlinge van de ULO in Kortgene. Ze schreef aan een familielid of aan een vriendin in Sint Philipsland. Op 5 september, Dolle Dinsdag, begint ze haar verhaal: Lieve Anny, O schat, o dot, ik ben zo zot! Lopen ze op Flipland ook al met Oranje op en vlaggen ze daar ook al? Hier lopen er al met Oranje op. Er wordt beweerd dat er op Colijnsplaat gevlagd wordt, maar ik weet niet of dat waar is. Wij hebben voor morgen niets te leren en nu ook niets te doen. Vanmiddag hebben we nog een uur school en dan vrij.

Daarna kan ze het waarschijnlijk in huis niet meer uithouden, want pas twee dagen later schrijft ze verder: Ja, Annie nu is het donderdag en in de tussentijd is er heel wat gebeurd. ‘k Zal proberen je alles geregeld te schrijven, maar of dat lukt weet ik niet. Op die bewuste dinsdag toen ik aan je brief begonnen ben, hebben we ‘s middags helemaal geen school meer gehad. Op 12 uur gingen we dus uit school naar huis. Overal waar je langs kwam, zag je vlaggenstokken verschijnen. Ik dacht, o, dat zal bij ons nog wel niet zo zijn, maar toen ik thuis kwam was er beneden niemand te bekennen. Aangezien ik een beetje lawaai boven hoorde duvelde ik de trap op. En jawel hoor. Daar waren ze met z’n drieën bezig de vlag aan de stok te doen, pa, moeder en meneer Mulder. Ik schrok me rot, kun je begrijpen! Even later stak pa als eerste Kortgenaar de vlag buiten het raam. Wat een feest! Het duurde geen drie minuten of er volgden er meer. En zo waren er na een poosje een hele rij vlaggen aan het wapperen. Maar o wee! De pastoriemoffen kwamen eens buiten kijken. Meer als kijken deden ze echter niet.Toch had het gekijk van die lui gevolgen. De waarnemend burgemeester Salomé kwam huisje na huisje vragen of ze toch alsjeblieft de vlaggen wilden binnenhalen, want anders werd hij er voor opgepakt. Wat doe je dan anders als de vlag weer binnenhalen, hè?

Net als de rest van Nederland had ook Noord-Beveland een Ordedienst(OD), een illegale verzetsbeweging. Na de bevrijding zou de OD helpen om het bestuur van Nederland weer in orde te krijgen. Het was gevaarlijk om hier lid van te zijn. Als ze werden opgepakt door de Duitsers konden ze in de gevangenis komen. In het ergste geval werden ze doodgeschoten.

Wie waren deze mannen?
Schoenmaker J. van Halst uit Wissenkerke. In 1955 werd hij zelfs burgemeester van Wissenkerke. Drukker A. Markusse uit Wissenkerke en marechaussee A.M. Westdorp uit Kortgene.

Eén van de grootste herrieschoppers op die gedenkwaardige vijfde september is een zekere Janus Leijnse uit Middelburg. Hij staat daar bekend als de ‘Spanjool’, omdat hij in de Spaanse burgeroorlog tegen de troepen van Franco had gevochten. In 1944 zit hij in Kamperland ondergedoken. Leijnse weet een aantal jonge mannen rond zich te verzamelen en besluit naar Kamperland op te trekken. Markusse van de OD vindt dat zij te veel risico nemen en vraagt Andries Dieleman, die hij toevallig ontmoet, hen van hun voornemen af te brengen. Dieleman wordt door de groep echter zo enthousiast gemaakt, dat hij meegaat naar Kamperland. Daar maken zij de veerboot naar Veere onklaar. In de middag trekt de groep, die inmiddels de beschikking over vier auto's heeft, opnieuw naar Kamperland. Daar nemen zij vier Duitsers gevangen. Ook hun wapens krijgen ze in handen. Twee andere soldaten kunnen net op tijd wegkomen. Zij geven lichtseinen richting Veere. Na een poosje komt een Duits marinescheepje kijken wat er aan de hand is. Het schip wordt door de groep Leijnse beschoten met de buitgemaakte geweren. De Duitsers schieten terug met kogels en granaten. Hierdoor vliegen twee boerderijen in brand. In één ervan komen acht paarden in de vlammen om. Leijnse en zijn vrienden trekken zich terug en nemen hun krijgsgevangenen mee. Nu komen de Duitsers aan land. Ze horen dat vier van hun soldaten gevangen genomen zijn. Ze dreigen 70 inwoners van Kamperland te zullen doodschieten als de militairen en hun wapens niet voor 23.00 uur die avond terug zijn. Leijnse en zijn mannen zijn er inmiddels vandoor gegaan en hebben hun gevangenen als presentje bij de OD in Wissenkerke achtergelaten. Onder begeleiding van een marechaussee worden de Duitsers uiteindelijk naar Kamperland teruggebracht. De Duitsers zijn woedend! De volgende dag stuurt kolonel Oberst Reinhardt, de Inselkommandant van Walcheren, soldaten om orde en rust op Noord-Beveland te herstellen. In Kamperland wordt een dertigtal mensen gegijzeld uit voorzorg tegen aanvallen van partizanen. Deze mensen worden dezelfde dag overigens weer vrijgelaten. Hierna trekken de Duitsers naar Wissenkerke, waar zij neerstrijken in café ‘Wielerrust’ van dhr. Beije. In het dorp wordt een willekeurig aantal mensen gearresteerd. Ze worden naar het café gebracht, waar zij worden gedwongen om te praten. Misschien zijn toen enkele namen genoemd. Een andere lezing is dat enkele deutschfreundliche meisjes namen zouden hebben doorgegeven. Hoe het ook zij, de Duitsers doen een poging Markusse in handen te krijgen, maar deze is net op tijd ondergedoken. Dan gaan ze op zoek naar Andries Dieleman, wiens naam kennelijk ook is gevallen.

Het echtpaar Dieleman-Abrahamse, dat op de hofstede ‘Wilhelmina’ woont, heeft vier zonen en vier dochters. Van de jongens is de vrijgezelle Andries Pieter (1908-1944) op één na de oudste. Evenals zijn andere broers werkt hij op het bedrijf van zijn vader. Het is niet duidelijk welke rol hij in het verzet speelt, of heeft gespeeld. In ieder geval wordt zijn naam en foto vermeld in ‘Het grote gebod’, het gedenkboek van de ‘Landelijke organisatie tot hulp aan onderduikers’ (LO). Als de Duitsers verschijnen, zit Andries samen met de onderduiker Cor Heystek uit Middelburg verborgen in een veedrinkput op enige afstand van de boerderij. Zijn broers en de knecht Markusse (niet de man van de OD) staan klaar om met de paarden naar het land te gaan. Door een noodlottige samenloop van omstandigheden ontdekken de Duitsers de schuilplaats. Andries Dieleman en Cor Heystek worden door vier militairen gearresteerd. Vervolgens worden zij overgebracht naar café ‘Wielerrust’. Twee van de drie broers van Andries worden eveneens meegenomen, maar later weer vrijgelaten. De arrestanten moeten één voor één voor een groep van ten minste zes personen verschijnen. Heystek, die door een van de soldaten wordt herkend, ontkent in alle toonaarden dat hij op 5 september aan enige activiteit heeft deelgenomen. Na zijn verhoor wordt hij in een apart kamertje gezet. Na een poosje worden Andries Dieleman, Cor Heystek en een tweetal anderen op gevorderde fietsen naar het veer te Kamperland ge¬bracht. Bij het veer heeft Heystek nog enige tijd met Dieleman gesproken. Andries vertelt tijdens het verhoor te hebben toegegeven dat hij gedurende de opstand voor de partizanen had gechauffeerd. Hij weet niet hoe de Duitsers aan zijn naam gekomen zijn. Na per boot te zijn overgezet naar Veere, wordt de tocht naar Middelburg per fiets voortgezet. Na in de stad te zijn aangekomen, worden zij opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Kousteensedijk. Dieleman en Heystek komen in dezelfde cel. Op zaterdag 9 september wordt Andries weggehaald. Hij wordt naar een van de bunkers van ‘Baskensburg’ in Vlissingen gebracht. Een van de gevangenen daar, dhr. Hulstaert, heeft hem daar op die datum gezien. In die gevangenis zaten ook Albert de Colvenaer, Yvan de Colvenaer en André Pierets uit Zelzate (België) en Wim Niesthoven uit Middelburg gevangen.

Hoe het tussen 9 en 11 september 1944 verder is gegaan weten we niet precies. Waarschijnlijk ging het als volgt: Na Dolle Dinsdag - 5 september - herstellen de Duitsers in Zeeland zich snel. Van kolonel Oberst Reinhardt wordt in deze dagen veel geëist. Reinhardt moet helpen bij de opvang van de duizenden militairen die van de overkant van de Schelde worden aangevoerd. Ook moet hij gewondentransporten richting Brabant organiseren. Bovendien heeft hij de taak in een vrij groot gebied orde en rust te handhaven onder een bevolking die op 5 september de bevrijding zag naderen. Hierbij deinzen de bezetters niet terug voor harde maatregelen tegen personen die wegens (vermeende) handelingen tegen de Duitsers worden gearresteerd. Eén van de middelen was het gebruikmaken van het standrecht: de snelle berechting door militairen of politieambtenaren, waarbij vaak de doodstraf wordt uitgesproken. Het was ingevoerd tijdens de april-mei stakingen van 1943.

De meeste soldaten van het bunkercomplex ‘Baskensburg’ in Vlissingen waren naar Vlaanderen verplaatst. Er was in Vlissingen dus voldoende ruimte om de zittingen van het standgerecht te houden. Op zaterdag 9 september staan volgens Caesar Hulstaert, hijzelf, Albert de Colvenaer, Yvan de Colvenaer, André Pierets (drie Belgische gevangenen), Wim Niesthoven en Andries Dieleman op twee meter van elkaar opgesteld op een terrein voor de bunkers van ‘Baskensburg’. Tussen elk van hen bevindt zich een Duitse soldaat. Hulstaert wordt als eerste binnengeroepen voor wat hijzelf noemt het standgerecht.

Het proces tegen hem wordt afgebroken door tussenkomst van referent Korte op wie Hulstaerts vrouw een beroep heeft gedaan. Op zondag 10 september mag Hulstaert om 20.00 uur naar huis. Van de commandant krijgt hij een bewijsje mee dat hij zich tot 22.00 uur (in spertijd dus) op straat mag bevinden. Na Hulstaert verschijnen de anderen voor het standgerecht. Zij worden allen ter dood veroordeeld, behalve Wim Niesthoven, die om onduidelijke redenen pas op zondagmorgen 10 september deze straf krijgt toebedeeld.

Drukker Van de Velde uit Vlissingen ontvangt op zaterdag 9 september opdracht het aanplakbiljet met de doodvonnissen te maken (370 exemplaren). Het is ‘ondertekend’ met ‘Oberst und Kommandant’, dat wil zeggen door de kolonel Reinhardt als ‘Gerichtsherr’ in zijn functies van regimentscommandant en commandant van het ‘Landfront’ Vlissingen.

Bij lezing maakt het plakkaat de indruk in haast te zijn opgesteld. Zo zijn bijvoorbeeld de namen van verschillende ter dood veroordeelden onjuist gespeld. In de opdracht aan de drukker wordt later nog een wijziging aangebracht. Vermoedelijk om het doodvonnis van Wim Niesthoven uit Middelburg toe te voegen. De plakkaten zijn op maandag 11 september gereed. Ze worden nog diezelfde dag op Walcheren en de Bevelanden opgeplakt.

Op zaterdag 9 september of op zondagmorgen 10 september worden de gevangenen naar cellen in de Bomvrije Kazerne in Vlissingen overgebracht. Luciën Vandevijver uit Zelzate heeft eind november 1944 Walcheren bezocht met het doel naspeuringen naar zijn drie landgenoten te doen. Van personen die tijdens de bezetting in de Bomvrije Kazerne als personeelsleden hebben gewerkt, komt hij te weten dat Albert de Colvenaer, Yvan de Colvenaer, André Pierets, Wim Niesthoven en Andries Dieleman daar opgesloten hebben gezeten. Op maandag 11 september om 7.00 uur in de morgen is de toegang tot de kazerne verboden. Ongeveer op hetzelfde tijdstip worden de gevangenen in een militaire vrachtauto geladen. Door de Slijkstraat en via de Badhuisstraat rijdt de auto naar de zogenaamde ‘tweede duinen’. Met ‘tweede duinen’ wordt waarschijnlijk de tweede duinovergang bij Klein-Valkenisse bedoeld. Tussen de bunkersystemen ‘Carmen’ en ‘Fledermaus’, die zich toentertijd in de duinen bij Klein- Valkenisse bevonden, worden de gevangenen terechtgesteld.

De Pool Jan Rybicki, die in Duitse krijgsdienst is, staat die morgen op wacht. Hij maakt een situatieschets en geeft deze aan een inwoner van Vlissingen met het verzoek de tekening ter zijne tijd aan het Nederlandse bestuur te geven. Na de oorlog vertelt hij de executies van enige afstand te hebben gezien. De gevangenen moeten, nadat ze uit de vrachtwagen zijn geklommen, onderlangs de duinen langs een omweg tegen een hoog duin opklimmen. Boven aangekomen is het vuurpeloton, dat zich enigszins in de diepte bevindt, reeds aanwezig. De gevangenen, van wie de polsen met touwen zijn vastgebonden, worden in een rij opgesteld met hun rug naar de zee. Als het vuurpeloton gereed is, worden de executies voltrokken, waarna een Duitse legerarts bij allen de dood constateert. De lichamen worden ter plaatse in het duinzand begraven.

Na de oorlog
In het voorjaar van 1945 wordt met behulp van de schets van Rybicki zonder resultaat naar de slachtoffers gezocht. De Pool, die inmiddels dienst doet bij het geallieerde leger in Duitsland, wordt opgespoord. Op 10 januari 1946 bezoekt hij de toenmalige gemeentesecretaris van Biggekerke, de heer De Wolf. Zij gaan naar de duinen, waar Rybicki de plaats van de terechtstelling aanwijst. Na zijn vertrek gaat De Wolf direct samen met de boswachter Stoffel Wijkhuys naar de executieplaats en markeert deze. Wijkhuys geeft de vindplaats door aan de bevoegde autoriteiten, waarop in bijzijn van de patholoog anatoom Dr. J.P.L. Hulst uit Leiden op dinsdag 15 januari een onderzoek wordt ingesteld. In een massagraf bovenop de duinen aan de zeekant worden op ongeveer 1,5 meter diepte de lichamen van de vijf mannen gevonden, die op maandag 11 september 1944 zijn terechtgesteld. Dichtbij ligt het lichaam van een zesde persoon, dat op 16 januari wordt geïdentificeerd als Johan van der Weij. Hij is daar op dinsdag 19 september 1944 gefusilleerd.

De herbegrafenis van Wim Niesthoven en Johan van der Weij vindt plaats op zaterdag 19 januari 1946 op de Algemene Begraafplaats te Middelburg. De lichamen van de drie Belgen worden op maandag 21 januari onder grote belangstelling in Zelzate (België) ter aarde besteld. Op dezelfde dag wordt Andries Dieleman begraven op de Algemene Begraafplaats te Wissenkerke.

In de duinen bij Klein-Valkenisse wordt een eenvoudig kruis geplaatst als herinnering aan hetgeen daar is gebeurd. In 1979 is het gedenkteken echter verdwenen. Dankzij de activiteiten van Piet Schreijenberg uit Biggekerke en met hulp van de leden van de Biggekerkse brandweer wordt hoog op het duin een nieuw kruis geplaatst. Op 17 september 1994 wordt bij de kruising Klaassesweg-Valkenisseweg een kleine plaquette onthuld, die uitleg geeft over wat zich in die septemberdagen van 1944 in de duinen bij Klein-Valkenisse heeft afgespeeld, opdat wij niet vergeten!

Monument
Het gemeentebestuur van Wissenkerke had zich in april 1946 voorgenomen om op de begraafplaatsen Kamperland en Wissenkerke een algemeen oorlogsmonument op te richten voor alle mensen die in de Tweede Wereldoorlog waren omgekomen. Maar doordat de gemeente op dat moment niet genoeg geld had en door de herbegrafenis van Dieleman werd het in Wissenkerke een ander verhaal. In Kamperland is er nooit een monument gekomen. Al bij de herbegrafenis van Dieleman op 21 januari 1946 had burgemeester Van der Maas van de gemeente Wissenkerke bij het graf in het openbaar de toezegging gedaan dat de gemeente een gedenksteen op het graf zou plaatsen. De gemeente hield woord. Op dinsdag 6 mei 1948 werd onder grote belangstelling door de burgemeester van de gemeente Wissenkerke het grafmonument voor A.P. Dieleman overgedragen aan de familie Dieleman. Na een kranslegging door een onderduiker die bij de familie Dieleman had gezeten, bedankte de familie Dieleman de gemeente en de bevolking voor de eer die aan de overledene werd bewezen. Hierna volgde nog een herdenkingsdienst in de Nederlands Hervormde kerk. Daar spraken zowel ds. Meijer (Hervormd predikant) als ds. Visser (Gereformeerd predikant). Het ontwerp van het monument was van R. Slotema, aannemer, uit Wissenkerke. Na verloop van tijd raakte het monument in de vergetelheid.

Speciale dank aan Ko Dieleman te Kortgene, die ons van informatie heeft voorzien over het monument en de tragische gebeurtenissen rondom zijn broer Andries.

*Geschreven als lesboekje over de Tweede Wereldoorlog op Noord-Beveland, voor de basisschool, groep 7 en 8.

Bronnen:
A.J. Barth, dr. A.L.Kort, Tussen isolement en ontsluiting. Een bestuurlijke geschiedenis van Noord-Beveland, 1795-1995, Noord-Beveland 2005, pag. 119-164. Uitgave gemeente Noord-Beveland, 2005 (ISBN 10: 90-810151-1-7 en ISBN 13: 97890-810151-1-0). H.J. Vader, Het kruis in de duinen bij Klein-Valkenisse, Biggekerke 1999, pag. 28-38, 43-44. Uitgave ADZ Vlissingen, 1999 (ISBN 90-9012925-1). Stukken betreffende plaatsing van 2 oorlogsmonumenten op algemene begraafplaats te Wissenkerke en een monument in het dorp Kamperland, 1946-1948. Plaatsingslijst gemeente Wissenkerke, nr. 1185. GA Noord-Beveland.

 
©2009e.v. hkdebevelanden