|
Dingeman Korstanje
Open het
Pdf-bestand om de tekst te lezen



Parlevinkerspad Hansweert
Frank de Klerk
Reeds enige tijd is de Dorpsraad Hansweert samen met de Heemkundige
Kring bezig om een dergelijk pad te realiseren. Her en der worden in
dorpen zogenaamde ommetjes met nieuwe informatieborden aangegeven. In
Hansweert leent een terrein bij het dorp zich wel heel erg voor een
dergelijk ommetje of wandeltochtje, namelijk het vroegere sluizencomplex
ten oosten van het dorp. Bij de aanleg van de nieuwe sluizen verderop
naar het oosten vervielen de oude, monumentale, of zo u wilt,
krakkemikkige sluizen uit 1866 en later. Het Rijk wist geen betere
oplossing te verzinnen voor de sluizen en de oude buitenhaven, dan deze
vol met zand te storten. Veel van de sluishoofden, -deuren en vroegere
paden bleven bewaard. Dit is het gebied waar het Parlevinkerspad zal
worden uitgezet. Met een handvol informatieborden zal veel historie over
het kanaaldorp Hansweert worden aangeboden aan de wandelaar. Voor de
borden, die in samenwerking met de Stichting Landschapsverzorging
Zeeland worden uitgevoerd, is op ruime schaal sponsoring binnengehaald.
De route zal zich niet tot de vroegere sluizen beperken, maar ook het
dorp zelf aandoen.
Hansweert lijkt een dorp dat pas historie heeft vanaf de aanleg van
het kanaal door Zuid-Beveland, maar niets is minder waar. Al in de
veertiende eeuw ontstaat het, een eeuw later is er een kapel gewijd aan
St. Thomas, en in de zestiende en zeventiende eeuw gebeurt er ook het
nodige. Daarna wordt het wat stil, totdat in 1808 de dijken breken en
bij Hansweert een groot stuk polder verdwijnt. Enkele tientallen jaren
later beginnen de eerste kanaalwerken, die in die tijd wel worden
vergeleken met de bouw van de Toren van Babel. Zodra het kanaal en de
sluizen er liggen barsten zowel Hansweert als Wemeldinge, dat andere
kanaaldorp, al snel uit hun voegen. De horeca profiteert enorm van de
schepelingen die aan wal komen, en ook de winkeliers. Nu komen de
parlevinkers opzetten, leurders die vanaf de sluismuren en in het kanaal
met bootjes hun waren te koop aanbieden. Zij geven hun naam aan het
wandelpad. Er zijn veel historische gegevens verzameld en ook
beeldmateriaal. Verder zijn de laatste parlevinkers van het dorp door de
Dorpsraad geïnterviewd. Men wil namelijk niet volstaan met alleen het
Parlevinkerspad; er zijn ook al plannen in de maak om aan de Boomdijk
een Juttersmuseum uit de grond te stampen. Als een schip zijn lading
verloor (of verliest), dan zijn de goederen die aanspoelen
Rijkseigendom, althans volgens de wet. Wetskennis was niet bij iedereen
in Hansweert aanwezig, zodat er veel aangespoelde goederen van waarde
gejut werden. Gevoegd bij thema’s als de Eerste (tienduizenden Belgische
vluchtelingen) en Tweede Wereldoorlog, scheepsrampen en -bergingen, de
Ramp, de scheepswerf, Maria-oord, de rooms-katholieke en de
nederlands-hervormde kerk, enz. enz. hoeft voor een interessante
invulling van dit museum niet te worden gevreesd. Het Parlevinkerspad
zal deze zomer (als alles meezit) worden geopend.
De wonderbaarlijke bevalling van Lena Bruinzeel
J.H. Midavaine
In 1830 werd Hein Meerburg Snarenberg tot over zijn oren verliefd op
de boerendochter Lena Bruinzeel uit Kattendijke.
Hein, wiens officiële
voornaam Hendrik luidde, was de achttienjarige zoon van de predikant
Johannes Meerburg Snarenberg uit datzelfde dorp en zes jaar jonger dan
zij.1) Zijn verliefdheid stak hij niet onder stoelen of banken, want hij
volgde haar overal op de voet. Het duurde dan ook niet lang of het paar
kreeg verkering en meermalen vroeg Hein of ze met hem wilde trouwen.
Toen Lena's ouders erachter kwamen dat hun dochter omgang had met de
zoon van de predikant, pakte het heel anders uit dan ze had verwacht.
Leendert Bruinzeel en zijn vrouw Maria Feijtel waren van mening dat een
huwelijk tussen hen beiden geen stand zou houden omdat Hein niet van het
platteland kwam en tot een andere stand behoorde. Het werd oorzaak van
bijna dagelijkse ruzies. Omdat Lena haar zin niet kreeg, liep ze op een
dinsdagmorgen toen haar ouders naar Goes waren, van huis weg. Het plan
was haar ingegeven door Hein, die haar dan net zoveel zou kunnen zien
als hij wou. Ze trok in bij Kees van Dee en zijn vrouw in Wemeldinge,
een paar behoeftige mensen die in ‘het hooge huis’ woonden. Maar de
vrijheid was van korte duur, want na drie dagen kwam haar vader haar al
weer ophalen. Hierna ging het leven zijn gewone gangetje en Lena en Hein
bleven elkaar ontmoeten. Iedere week deed Lena samen met haar moeder de
was. In het begin van de maand oktober 1831 viel het haar op dat Lena
‘in geen twee keren als naar gewoonte de maand stonden gekregen had’.
Hierop vroeg ze haar dochter of ze wat mankeerde. Vier jaar daarvoor had
ze ook ruim drie maanden lang niet gemenstrueerd toen ze leed aan ‘de
platte ziekte’. Doctor Elzman moest er toen aan te pas komen om haar te
genezen. Nadrukkelijk vroeg haar moeder of ze soms ‘slechte dingen met
dien Snarenberg had gedaan’. Gelukkig kon Lena haar geruststellen door
te zeggen dat er niets aan de hand was. Maar toen ‘de stonden’ nog
langer uitbleven, zei haar moeder dat ze de dokter zou laten komen.
Lena, die met Hein meer had gedaan dan enkel gezoend, besefte nu dat ze
van hem in verwachting was. Uit angst om door het te verzwijgen door de
dokter verkeerde medicijnen voorgeschreven te krijgen, bekende ze haar
moeder dat ze zwanger was. Haar vader mocht het voorlopig niet weten.
Doch dit zou niet lang duren, want in korte tijd verspreidde het gerucht
zich in het dorp en kwam hij er ook achter. Vanaf dat moment verbood hij
haar nog langer om te gaan met de zoon van de predikant. Dit betekende
dat ze elkaar nu stiekem moesten ontmoeten. Omdat Lena's ouders iedere
dinsdag naar de markt in Goes gingen, spraken ze de eerstvolgende
dinsdagmorgen met elkaar af en kwam Hein naar de hofstede. Maar zijn
bezoek bleef niet ongezien en twee dagen later kreeg Lena's moeder het
te horen. Ze werd zo kwaad dat ze 's middags een bord met aardappels en
paling naar het hoofd van Lena smeet. Die pakte daarop gelijk haar
spullen en nam de benen. Ze ging naar buurman Cornelis Merison en
vertelde diens vrouw dat ze niet langer thuis kon blijven omdat ze werd
mishandeld en vroeg om onderdak. Omdat er geen bed voor haar was, werd
er een gehaald bij Kootje Vreeke. Aan kostgeld moest ze ƒ 2,50 betalen,
wat ze deed van het geld dat ze van haar ouders ter gelegenheid van de
kermis en het nieuwe jaar had gekregen. Vier weken lang is ze bij
Merison in huis geweest. Door bemiddeling van de burgemeester kwam haar
vader haar toen weer ophalen. Hij zei dat haar moeder er nu vrede mee
had als ze met Hein zou trouwen. Wel hadden ze besloten dat ze bij haar
huwelijk niet meer zou krijgen dan haar kleren en haar kabinet en na hun
dood niets zou erven. Intussen was het ook voor Hein tijd geworden om
met zijn ouders over het voorgenomen huwelijk te praten. Zijn vader, die
nog kindergeld van hem trok, wilde geen toestemming geven voor hij
twintig was. Hij moest wachten tot januari 1833 eer het zover was. Toen
Lena Hein vertelde dat ze bij haar huwelijk onterfd zou worden, verbrak
hij de verkering. Omdat de tijd niet stil had gestaan, werden er door
Lena's moeder voorbereidingen getroffen voor de komende bevalling. Deze
stond gepland op eind april. Ze kocht een mand vol kindergoed en er
moest uitgekeken worden naar een min. Intussen had Lena Hein nog één
keer gezien toen ze met de meid naar de pastorie ging en hij bij de
haard zat. Omdat ze hem niet wilde ontmoeten, was ze omgedraaid en naar
huis teruggelopen. Hein had intussen spijt gekregen dat hij de verkering
had uitgemaakt en stuurde de vrouw van Cornelis Merison naar Lena met de
boodschap dat hij weer omgang met haar wilde hebben. Ook via buurvrouw
Adriana Geene liet hij dit weten. Beide keren gaf Lena ten antwoord dat
hij alleen welkom was als hij met haar wilde trouwen. Hij mocht haar
niet meer achterna lopen, want dan zou ze opnieuw ruzie met haar ouders
krijgen. Hein schreef terug dat hij wel wilde trouwen, maar dat zijn
ouders nooit toestemming zouden geven als ze onterfd zou worden en ze
hen niet zouden onderhouden. De vrouw van Merison bracht de brief bij
Lena. Zij schreef terug dat ze haar ouders nooit zover zou krijgen om
dit terug te draaien. In januari nam Lena's moeder de drieëndertigjarige
Janna Kloosterman als boerenmeid aan. Voorlopig zou ze tot mei in dienst
kunnen blijven. Omdat Janna, die weduwe was van Adriaan Westveer, drie
kinderen had gebaard, zou ze als min dienst kunnen doen, zodat ze er
geen hoefde aan te nemen. En Maatje de Jong uit Wemeldinge, die op een
middag naaiwerk op de hofstede deed, werd gevraagd om enige dagen het
werk te komen doen als Lena in het kraambed zou liggen. Op 8 april
gingen Lena en Janna rond zeven uur 's morgens op pad naar Goes. Daar
zouden ze koffie gaan drinken bij Poepe Mietje in de Lange Vosstraat.
Poepe Mietje, die eigenlijk Johanna de Wit heette, maar bij haar klanten
beter bekend stond onder haar bijnaam, was handelaarster in oud ijzer en
geglazuurd aardewerk. Regelmatig bezocht ze de hofstede van de familie
Bruinzeel en als de gezinsleden 's dinsdags in de stad waren, gingen ze
bij haar op de koffie. Bij Poepe Mietje aangekomen liet Janna haar falie
(mantel) achter en ging alleen door naar haar ouders in Heinkenszand. Op
het eind van de middag zou ze hem weer op komen halen en dan samen met
Lena naar Kattendijke teruggaan. Nadat Lena met Poepe Mietje koffie had
gedronken, kreeg ze pijn in haar buik. Het was zo erg, dat ze zich met
beide handen aan de tafel moest vasthouden. Gelukkig werd de pijn na
enige tijd wat minder, maar helemaal over ging ze niet. Poepe Mietje,
die van haar zwangerschap afwist, dacht dat ze barensweeën kreeg en zei
dat ze het beste maar zo snel als ze kon naar huis moest terugkeren. Om
niet te hoeven lopen, zou ze met het rijtuig van Abraham Kopmels
gebracht kunnen worden. Maar Lena wilde dat volstrekt niet hebben. Tegen
de middag was de pijn gezakt en samen aten ze rijst met krenten. Rond
kwart voor drie verliet Lena de woning om naar haar zeggen nog katoen en
andere goederen voor haar aanstaande kraamkind te kopen. Ze zei dat ze
binnen een uur terug zou zijn. Maar het duurde tot even na vijven voor
ze er weer was. Ze had haast en na nog snel een kop koffie gedronken te
hebben zei ze dat ze op pad ging naar Kattendijke. Ze vroeg aan Poepe
Mietje of ze tegen Janna wilde zeggen dat ze op de Kattendijksedijk op
haar zou wachten. Toen even later Janna kwam, zei ze dat ze op moest
schieten, want het kwam haar voor dat Lena ieder ogenblik in de kraam
kon komen, waarop Janna haar dadelijk achterna is gelopen. Op de
Kattendijkseweg haalde ze haar in en vervolgens zijn beide naar de
hofstede teruggegaan. Zoals te verwachten was, is nog diezelfde avond
Lena bevallen. Kort nadat haar ouders om negen uur naar bed waren gegaan
is het kindje geboren. Er was geen tijd om verdere maatregelen te nemen
en Janna Kloosterman, die al drie weken in dezelfde kamer als Lena
sliep, zorgde ervoor dat alles prima verliep. Om tien uur vond Janna het
tijd om Lena's ouders van de komst van de kleine op de hoogte te
brengen. Ze ging naar hun slaapkamer en vroeg aan Leendert: ‘Baas, ben
je wakker?’ Deze beantwoordde de vraag bevestigend, waarop Janna het
kindje op haar arm nam en aan Leendert liet zien. ‘Hier is het kind van
je dochter’, zei ze, ‘het is een jongetje’. Intussen was ook Lena's
moeder wakker geworden. Ze kreeg tranen van vreugde in haar ogen en
slechts half gekleed snelde ze naar haar dochter om haar geluk te wensen
en haar aan te sporen tot bedaardheid. Toen dat was gebeurd stuurde ze
Janna naar de naaste buren om de vrouwen uit te nodigen voor een
koffiemaaltijd, zoals dat vroeger op het Zuid-Bevelandse platteland bij
een geboorte de gewoonte was. Eenmaal aan tafel gezeten vroeg Leendert
tot tweemaal toe aan Janna waar ze met de nageboorte was gebleven. Bij
zijn eigen kinderen had hij die altijd zelf opgeruimd. Bij herhaling
antwoordde ze dat ze die ‘behoorlijk geborgen had’ en ze voegde er nog
aan toe: ‘daar moet gij nooit meer over denken’. Vervolgens informeerde
hij hoe dat alles toch zo spoedig in zijn werk was gegaan. Janna
vertelde hem dat het kind zo schielijk was gekomen dat er geen tijd was
geweest om iemand te kunnen roepen en om verdere vragen te voorkomen zei
ze dat ze intussen ook nog de vloer had opgedweild. Nog diezelfde avond
laat ging Leendert naar de burgemeester om het kind aan te geven. Hij
noemde het Jacob, maar omdat hij geen getuigen bij zich had, kon de
aangifte niet plaatsvinden. De ambtenaar zei dat hij de akte intussen
wel zou schrijven, maar dat hij later met twee getuigen moest terugkomen
om hem te ondertekenen. Gezien de ontwikkelingen die daarop volgden, is
dat nooit meer gebeurd en treffen we in de burgerlijke stand van
Kattendijke van die dag een doorgestreepte akte aan, die gedeeltelijk is
ingevuld. Drie dagen later bracht Pieter Bruinzeel, een broer van Lena,
in de namiddag een voer graan naar Goes. Daarna ging hij nog even in de
stad op bezoek bij de weduwe Sluijters. Die vertelde hem dat in het
Manhuis in Goes de ongehuwde Helena de Laat op 8 april was bevallen van
een kind. Toen Jacomina Langesoorde haar melk bracht en haar vroeg om
het eens te mogen zien, had Helena gezegd dat dat niet kon omdat Lena
Bruinzeel het 's zondags had meegenomen naar Kattendijke. Toen Pieter
even later in de stad Laures Laurusse ontmoette en bij hem informeerde
of het verhaal klopte, kreeg hij een bevestigend antwoord. Terug in
Kattendijke vertelde hij het aan zijn ouders. Intussen had ook zijn
broer Marinus deze geruchten vernomen. Marinus, die diaken in
Kattendijke was, ging met dit bericht naar ds. Meerburg Snarenberg en
samen met hem en Hein zijn ze naar Goes gegaan om bij Helena navraag te
doen. Toen zij had verteld dat ze inderdaad haar pasgeboren zoon had
afgestaan, zeiden ze dat ze hem de volgende dag weer zouden
terugbrengen. Ze was daar blij mee, want ze had van Maatje Blommert
gehoord dat het kind niet goed behandeld werd en zelfs in de oven had
gelegen. De dag daarna brachten Leendert Bruinzeel en de predikant het
jongetje terug naar zijn moeder in Goes. Deze had het inmiddels op 10
april door de vroedvrouw en twee getuigen onder de naam Leendert in de
burgerlijke stand van Goes laten inschrijven. De burgemeester van
Kattendijke, die ook van het geval op de hoogte werd gebracht, wilde
zekerheid omtrent de bevalling. Hij ontbood daartoe de stadsvroedmeester
F. Pieterse uit Goes. Deze kwam op 15 april na uitgebreid onderzoek tot
de conclusie dat Lena niet alleen toen of kort ervoor, maar zelfs nooit
een voldragen vrucht had gedragen. Als hoofd van de politie was het de
taak van de burgemeester om aangifte te doen bij de Rechtbank van Eerste
Aanleg te Goes. Lena werd verdacht van ‘het aan zich zelve ondersteken
van een kind waarvan zij niet was bevallen’ en Janna Kloosterman werd
als medeplichtige hiervan gezien. Nog diezelfde dag werd Janna
opgesloten in het Huis van Arrest in Goes en ook Lena zou dit lot moeten
ondergaan. Maar omdat dit bij haar moeder, die enige jaren daarvoor aan
een hersenziekte had geleden, weer een vlaag van krankzinnigheid teweeg
zou brengen, werd op doktersadvies hiervan voorlopig afgezien. Hierna
begonnen de verhoren en daarbij kwam aan het licht dat Lena halverwege
de maand februari weer net als vroeger ongesteld was geweest. De
spanning in haar buik, die ze gevoeld had sinds ze in oktober van het
vorige jaar een paar weken koorts had gehad, was ook verdwenen. Ze
besefte dat ze niet meer in verwachting was en daarmee vervloog de
laatste kans om ooit met Hein te kunnen trouwen. In de derde week van
diezelfde maand sprak ze erover met Janna Kloosterman voor wie de
boodschap ook een grote teleurstelling was omdat ze het extraatje als
min zou komen te missen. Volgens Janna zouden ze in het dorp denken dat
ze de vrucht had laten afdrijven. Doch wat de mensen ervan dachten kon
Lena niets schelen, het voornaamste was dat ze geen kind zou baren. Al
pratende opperde Janna het plan om toch maar te doen alsof ze nog steeds
zwanger was en rond de tijd dat de bevalling gepland stond een kindje te
lenen. Ze vertelde er nog bij dat dat wel vaker gebeurde en eigenlijk
heel normaal was. Zo werd besloten en alleen zij tweeën wisten ervan. Om
de suggestie te wekken dat ze in verwachting was, stopte Lena een kussen
onder haar hemd zodat het leek of ze een dikke buik had en niemand had
iets in de gaten. Op een dag kwam Janna thuis met de mededeling dat ze
had horen zeggen dat Helena de Laat binnenkort een kind zou baren. Janna
kende haar omdat ze in de Wilhelminapolder werkte. Ze woonde in het
Manhuis in Goes, was nog ongehuwd en voor de tweede keer in verwachting.
Het Manhuis was in die tijd een opvangtehuis voor daklozen en armen en
stond onder toezicht van de diaconie. Het twee verdiepingen tellende
gebouw had dertig kamertjes van ruim twaalf vierkante meter waarin soms
hele gezinnen werden gehuisvest. Toen Lena en Janna eind februari of in
het begin van maart op een zondag koffie zouden gaan drinken bij Poepe
Mietje zei Lena onderweg naar Goes: ‘Ik zal dan nu eens naar die Lena de
Laat gaan’. Janna ging naar het Manhuis en vroeg Helena naar buiten te
komen. Na deze boodschap gedaan te hebben, ging ze door naar Poepe
Mietje zodat de beide Lena's ongestoord konden praten. Lena Bruinzeel
vroeg Helena of ze zin had om in mei van dat jaar te komen werken als
meid op het hof van haar moeder. Ze voelde daar wel voor, maar omdat ze
in de kraam kwam te liggen, kon dat niet. ‘Denk er nog maar eens over
na’, zei Lena Bruinzeel, waarop ze naar Poepe Mietje vertrok. Een week
later kwam ze terug en informeerde of ze al over haar vraag had
nagedacht. Weer kreeg ze te horen dat het niet kon vanwege de aanstaande
bevalling. Toen kwam Lena met haar plan op de proppen. Ze zei dat ze het
kind aan haar zou kunnen afstaan. Ze ging trouwen en in een huisje in
Kattendijke wonen. Ze zou beter voor het kind kunnen zorgen dan zij.
Janna van Wijngaarde, die erbij was, kon dit alleen beamen. Elke dag zou
ze op bezoek mogen komen. Helena antwoordde dat er nog tijd genoeg was,
waarop het gesprek ten einde was. De week daarop bracht Lena een
kinderhemdje, een hemdrok, een luier, twee kindermutsjes en twee mofjes
bij haar. Toen Lena Bruinzeel op zondagmorgen 8 april om half tien voor
de vierde maal bij Helena de Laat aanklopte werd de deur door haar
moeder geopend. Ze zei dat ze niet binnen kon komen omdat Lena net was
bevallen. Daarop ging Lena naar Poepe Mietje om later in de middag naar
het Manhuis terug te gaan. Het kostte haar niet veel moeite om Helena te
overreden het kind aan haar af te staan. Ze wikkelde het in haar schort
en ging ermee op pad. Zoals eerder geschreven ontmoette ze op de
Kattendijksedijk Janna en samen liepen ze terug naar de hofstede. Daar
werd het kind voorlopig in de bakkeet gelegd in afwachting van het
moment dat het ‘geboren’ kon worden. Verschillende malen die avond ging
Janna ernaar kijken en het viel Lena's vader op dat ze zo vaak naar
buiten ging. Toen hij ernaar vroeg zei Janna dat ze pijn in haar buik
had en steeds naar achter moest. Toen Lena's ouders om negen uur naar
bed waren gegaan, werd het kind uit de bakkeet gehaald en bij Lena
gebracht. Janna waste het en kleedde het aan met kleertjes die Lena's
moeder had gekocht. Om te doen lijken dat Lena echt bevallen was, gooide
Janna een emmer water om en dweilde het vervolgens weer op. In de dagen
na de bevalling legde ze natte doeken op Lena's borst om haar ouders
langs die weg in de waan te brengen dat het zog uit haar borsten was
gelopen. Op 22 juni werd de zaak door het Hooggerechtshof te
's-Gravenhage verwezen naar het Hof van Assisen in Middelburg. Een
zestal getuigen werden opgeroepen, waaronder Helena de Laat en de naaste
buurvrouwen van de familie Bruinzeel. Op 4 juli volgde de uitspraak en
werden Lena en Janna ‘niet schuldig verklaard’ en op vrije voeten
gesteld. De verkering tussen Lena en Hein zal hierna wel definitief ten
einde zijn geweest. Alhoewel ... een jaar later, op 20 november 1833
beviel Lena van een dochter, die de naam Cornelia kreeg. Omdat in de
geboorteakte de naam van de vader niet wordt genoemd, weten we niet of
Hein hiervoor verantwoordelijk is geweest. In ieder geval is hij niet
met Lena getrouwd, want op 14 december 1838 trad ze in het huwelijk met
Johannes Bustraan uit Wemeldinge, zoon van Willem en Tannetje van de
Perel. Hierna kreeg ze nog vier kinderen, waarvan er twee levenloos ter
wereld kwamen, de derde slechts drie weken geleefd heeft en de vierde,
Willem genaamd, volwassen is geworden en voor nageslacht heeft gezorgd.
Haar dochter Cornelia overleed op 23 maart 1844 op tienjarige leeftijd.
Lena zelf is op 6 maart 1881 in haar woonplaats Kattendijke overleden,
ze is 75 jaar geworden. Haar man overleed vijf jaar later. Tot slot rest
me nog te vermelden dat de kleine Leendert nog iets meer dan twee weken
geleefd heeft nadat hij door Leendert Bruinzeel en de dominee weer bij
zijn moeder was teruggebracht.
Noot:
1. Ds. Johannes Meerburg Snarenberg is te Leiden geboren op 11 oktober
1790. Als kandidaat op 7 mei 1815 beroepen te Vrouwenpolder, in
Aagtekerke op 4 juni 1819 en te Kattendijke op 1 april 1827. Hij is
overleden bij zijn zoon in Kruiningen op 30 januari 1847. Op 11 februari
1811 was hij in Leiden getrouwd met Johanna Bloemendaal (otr.
31.01.1811), gedoopt op 10 december 1789 te Leiden.
Geraadpleegde bronnen en literatuur:
Zeeuws Archief, Rechterlijke Archieven 1796-1838, inv. nr. 136 vonnis
nr. 3293. Archief strafinrichtingen Zeeland, inv. nr. 355,
inschrijvingsnummer 303 en 304. Burgerlijke stand van Kattendijke en
Goes.
Een vergeten oorlogsmonument in Wissenkerke*
Gerard de Fouw en Bart van Leerdam
Inleiding
Op de begraafplaats van Wissenkerke staat het grafmonument voor Andries
Dieleman, geboren op 2 april 1908 te Wissenkerke en gefusilleerd op 11
september 1944 te Valkenisse. Een vergeten oorlogsmonument in
Wissenkerke en op Noord-Beveland.
Het verhaal
Nederland is sinds 10 mei 1940 bezet door de Duitsers, zo ook het eiland
Noord-Beveland. Veel gebeurt er niet in de beginjaren. Het zijn meest
kleine schermutselingen en luchtgevechten boven het eiland. Dan wordt
het 4 september 1944. Antwerpen valt in handen van de geallieerden. Vijf
kilometer kade, veertig kilometer dokken en meer dan zeshonderd kranen
komen ongeschonden uit de strijd. Daarmee kunnen de geallieerden in snel
tempo veel goederen lossen. De optimistische geluiden en foute berichten
van de Nederlandse regering in Londen en van Radio Oranje leiden een dag
later tot Dolle Dinsdag. Zij vertelden dat Nederland elk moment bevrijd
kon worden van de Duitse bezetting. Maar het duurde nog tot 5 mei 1945
voordat Nederland echt bevrijd was.
Reeds vroeg in de morgen van dinsdag 5 september beginnen Duitse
soldaten en NSB’ers in paniek via het veer Kortgene-Wolfaartsdijk het
eiland Noord-Beveland te verlaten. Dit gebeurt in heel Zeeland. Maar
niet voor lang. In heel Zeeland maken de radioberichten de mensen
opgewonden, maar nergens zo erg als op Noord-Beveland. Een paar
ambtenaren komt nu in actie. Het lukt hen de veerboot
Kortgene-Wolfaartsdijk onklaar te maken. Waarschijnlijk willen ze de
Duitsers gevangen houden op het eiland tot de bevrijders komen. Met de
auto van de dokter Bruynzeel uit Wissenkerke, die zij hadden gestolen,
rijden zij over het eiland. Steeds meer neemt de opwinding onder de
bevolking toe. Veel mensen steken de vlag uit omdat zij denken dat
Noord-Beveland is bevrijd.
We hebben er een verslag van. Het is geschreven door het Kortgeense
meisje Corrie Schippers. Ze was leerlinge van de ULO in Kortgene. Ze
schreef aan een familielid of aan een vriendin in Sint Philipsland. Op 5
september, Dolle Dinsdag, begint ze haar verhaal: Lieve Anny, O schat, o
dot, ik ben zo zot! Lopen ze op Flipland ook al met Oranje op en vlaggen
ze daar ook al? Hier lopen er al met Oranje op. Er wordt beweerd dat er
op Colijnsplaat gevlagd wordt, maar ik weet niet of dat waar is. Wij
hebben voor morgen niets te leren en nu ook niets te doen. Vanmiddag
hebben we nog een uur school en dan vrij.
Daarna kan ze het waarschijnlijk in huis niet meer uithouden, want
pas twee dagen later schrijft ze verder: Ja, Annie nu is het donderdag
en in de tussentijd is er heel wat gebeurd. ‘k Zal proberen je alles
geregeld te schrijven, maar of dat lukt weet ik niet. Op die bewuste
dinsdag toen ik aan je brief begonnen ben, hebben we ‘s middags helemaal
geen school meer gehad. Op 12 uur gingen we dus uit school naar huis.
Overal waar je langs kwam, zag je vlaggenstokken verschijnen. Ik dacht,
o, dat zal bij ons nog wel niet zo zijn, maar toen ik thuis kwam was er
beneden niemand te bekennen. Aangezien ik een beetje lawaai boven hoorde
duvelde ik de trap op. En jawel hoor. Daar waren ze met z’n drieën bezig
de vlag aan de stok te doen, pa, moeder en meneer Mulder. Ik schrok me
rot, kun je begrijpen! Even later stak pa als eerste Kortgenaar de vlag
buiten het raam. Wat een feest! Het duurde geen drie minuten of er
volgden er meer. En zo waren er na een poosje een hele rij vlaggen aan
het wapperen. Maar o wee! De pastoriemoffen kwamen eens buiten kijken.
Meer als kijken deden ze echter niet.Toch had het gekijk van die lui
gevolgen. De waarnemend burgemeester Salomé kwam huisje na huisje vragen
of ze toch alsjeblieft de vlaggen wilden binnenhalen, want anders werd
hij er voor opgepakt. Wat doe je dan anders als de vlag weer
binnenhalen, hè?
Net als de rest van Nederland had ook Noord-Beveland een Ordedienst(OD),
een illegale verzetsbeweging. Na de bevrijding zou de OD helpen om het
bestuur van Nederland weer in orde te krijgen. Het was gevaarlijk om
hier lid van te zijn. Als ze werden opgepakt door de Duitsers konden ze
in de gevangenis komen. In het ergste geval werden ze doodgeschoten.
Wie waren deze mannen?
Schoenmaker J. van Halst uit Wissenkerke. In 1955 werd hij zelfs
burgemeester van Wissenkerke. Drukker A. Markusse uit Wissenkerke en
marechaussee A.M. Westdorp uit Kortgene.
Eén van de grootste herrieschoppers op die gedenkwaardige vijfde
september is een zekere Janus Leijnse uit Middelburg. Hij staat daar
bekend als de ‘Spanjool’, omdat hij in de Spaanse burgeroorlog tegen de
troepen van Franco had gevochten. In 1944 zit hij in Kamperland
ondergedoken. Leijnse weet een aantal jonge mannen rond zich te
verzamelen en besluit naar Kamperland op te trekken.
Markusse van de OD
vindt dat zij te veel risico nemen en vraagt Andries Dieleman, die hij
toevallig ontmoet, hen van hun voornemen af te brengen. Dieleman wordt
door de groep echter zo enthousiast gemaakt, dat hij meegaat naar
Kamperland. Daar maken zij de veerboot naar Veere onklaar. In de middag
trekt de groep, die inmiddels de beschikking over vier auto's heeft,
opnieuw naar Kamperland. Daar nemen zij vier Duitsers gevangen. Ook hun
wapens krijgen ze in handen. Twee andere soldaten kunnen net op tijd
wegkomen. Zij geven lichtseinen richting Veere. Na een poosje komt een
Duits marinescheepje kijken wat er aan de hand is. Het schip wordt door
de groep Leijnse beschoten met de buitgemaakte geweren. De Duitsers
schieten terug met kogels en granaten. Hierdoor vliegen twee boerderijen
in brand. In één ervan komen acht paarden in de vlammen om. Leijnse en
zijn vrienden trekken zich terug en nemen hun krijgsgevangenen mee. Nu
komen de Duitsers aan land. Ze horen dat vier van hun soldaten gevangen
genomen zijn. Ze dreigen 70 inwoners van Kamperland te zullen
doodschieten als de militairen en hun wapens niet voor 23.00 uur die
avond terug zijn. Leijnse en zijn mannen zijn er inmiddels vandoor
gegaan en hebben hun gevangenen als presentje bij de OD in Wissenkerke
achtergelaten. Onder begeleiding van een marechaussee worden de Duitsers
uiteindelijk naar Kamperland teruggebracht. De Duitsers zijn woedend! De
volgende dag stuurt kolonel Oberst Reinhardt, de Inselkommandant van
Walcheren, soldaten om orde en rust op Noord-Beveland te herstellen. In
Kamperland wordt een dertigtal mensen gegijzeld uit voorzorg tegen
aanvallen van partizanen. Deze mensen worden dezelfde dag overigens weer
vrijgelaten. Hierna trekken de Duitsers naar Wissenkerke, waar zij
neerstrijken in café ‘Wielerrust’ van dhr. Beije. In het dorp wordt een
willekeurig aantal mensen gearresteerd. Ze worden naar het café
gebracht, waar zij worden gedwongen om te praten. Misschien zijn toen
enkele namen genoemd. Een andere lezing is dat enkele deutschfreundliche
meisjes namen zouden hebben doorgegeven. Hoe het ook zij, de Duitsers
doen een poging Markusse in handen te krijgen, maar deze is net op tijd
ondergedoken. Dan gaan ze op zoek naar Andries Dieleman, wiens naam
kennelijk ook is gevallen.
Het echtpaar Dieleman-Abrahamse, dat op de hofstede ‘Wilhelmina’
woont, heeft vier zonen en vier dochters. Van de jongens is de
vrijgezelle Andries Pieter (1908-1944) op één na de oudste. Evenals zijn
andere broers werkt hij op het bedrijf van zijn vader. Het is niet
duidelijk welke rol hij in het verzet speelt, of heeft gespeeld. In
ieder geval wordt zijn naam en foto vermeld in ‘Het grote gebod’, het
gedenkboek van de ‘Landelijke organisatie tot hulp aan onderduikers’
(LO). Als de Duitsers verschijnen, zit Andries samen met de onderduiker
Cor Heystek uit Middelburg verborgen in een veedrinkput op enige afstand
van de boerderij. Zijn broers en de knecht Markusse (niet de man van de
OD) staan klaar om met de paarden naar het land te gaan. Door een
noodlottige samenloop van omstandigheden ontdekken de Duitsers de
schuilplaats. Andries Dieleman en Cor Heystek worden door vier
militairen gearresteerd. Vervolgens worden zij overgebracht naar café
‘Wielerrust’. Twee van de drie broers van Andries worden eveneens
meegenomen, maar later weer vrijgelaten. De arrestanten moeten één voor
één voor een groep van ten minste zes personen verschijnen. Heystek,
die door een van de soldaten wordt herkend, ontkent in alle toonaarden
dat hij op 5 september aan enige activiteit heeft deelgenomen. Na zijn
verhoor wordt hij in een apart kamertje gezet. Na een poosje worden
Andries Dieleman, Cor Heystek en een tweetal anderen op gevorderde
fietsen naar het veer te Kamperland ge¬bracht. Bij het veer heeft Heystek nog enige tijd met Dieleman gesproken. Andries vertelt tijdens
het verhoor te hebben toegegeven dat hij gedurende de opstand voor de
partizanen had gechauffeerd. Hij weet niet hoe de Duitsers aan zijn naam
gekomen zijn. Na per boot te zijn overgezet naar Veere, wordt de tocht
naar Middelburg per fiets voortgezet. Na in de stad te zijn aangekomen,
worden zij opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Kousteensedijk.
Dieleman en Heystek komen in dezelfde cel. Op zaterdag 9 september wordt
Andries weggehaald. Hij wordt naar een van de bunkers van ‘Baskensburg’
in Vlissingen gebracht. Een van de gevangenen daar, dhr. Hulstaert,
heeft hem daar op die datum gezien. In die gevangenis zaten ook Albert
de Colvenaer, Yvan de Colvenaer en André Pierets uit Zelzate (België) en
Wim Niesthoven uit Middelburg gevangen.
Hoe het tussen 9 en 11 september 1944 verder is gegaan weten we niet
precies. Waarschijnlijk ging het als volgt: Na Dolle Dinsdag - 5
september - herstellen de Duitsers in Zeeland zich snel. Van kolonel
Oberst Reinhardt wordt in deze dagen veel geëist. Reinhardt moet helpen
bij de opvang van de duizenden militairen die van de overkant van de
Schelde worden aangevoerd. Ook moet hij gewondentransporten richting
Brabant organiseren. Bovendien heeft hij de taak in een vrij groot
gebied orde en rust te handhaven onder een bevolking die op 5 september
de bevrijding zag naderen. Hierbij deinzen de bezetters niet terug voor
harde maatregelen tegen personen die wegens (vermeende) handelingen
tegen de Duitsers worden gearresteerd. Eén van de middelen was het
gebruikmaken van het standrecht: de snelle berechting door militairen of
politieambtenaren, waarbij vaak de doodstraf wordt uitgesproken. Het was
ingevoerd tijdens de april-mei stakingen van 1943.
De meeste soldaten van het bunkercomplex ‘Baskensburg’ in Vlissingen
waren naar Vlaanderen verplaatst. Er was in Vlissingen dus voldoende
ruimte om de zittingen van het standgerecht te houden. Op zaterdag 9
september staan volgens Caesar Hulstaert, hijzelf, Albert de Colvenaer,
Yvan de Colvenaer, André Pierets (drie Belgische gevangenen), Wim
Niesthoven en Andries Dieleman op twee meter van elkaar opgesteld op een
terrein voor de bunkers van ‘Baskensburg’. Tussen elk van hen bevindt
zich een Duitse soldaat. Hulstaert wordt als eerste binnengeroepen voor
wat hijzelf noemt het standgerecht.
Het proces tegen hem wordt afgebroken door tussenkomst van referent
Korte op wie Hulstaerts vrouw een beroep heeft gedaan. Op zondag 10
september mag Hulstaert om 20.00 uur naar huis. Van de commandant krijgt
hij een bewijsje mee dat hij zich tot 22.00 uur (in spertijd dus) op
straat mag bevinden. Na Hulstaert verschijnen de anderen voor het
standgerecht. Zij worden allen ter dood veroordeeld, behalve Wim
Niesthoven, die om onduidelijke redenen pas op zondagmorgen 10 september
deze straf krijgt toebedeeld.
Drukker Van de Velde uit Vlissingen ontvangt op zaterdag 9 september
opdracht het aanplakbiljet met de doodvonnissen te maken (370
exemplaren). Het is ‘ondertekend’ met ‘Oberst und Kommandant’, dat wil
zeggen door de kolonel Reinhardt als ‘Gerichtsherr’ in zijn functies
van regimentscommandant en commandant van het ‘Landfront’ Vlissingen.
Bij lezing maakt het plakkaat de indruk in haast te zijn opgesteld.
Zo zijn bijvoorbeeld de namen van verschillende ter dood veroordeelden
onjuist gespeld. In de opdracht aan de drukker wordt later nog een
wijziging aangebracht. Vermoedelijk om het doodvonnis van Wim Niesthoven
uit Middelburg toe te voegen. De plakkaten zijn op maandag 11 september
gereed. Ze worden nog diezelfde dag op Walcheren en de Bevelanden
opgeplakt.
Op zaterdag 9 september of op zondagmorgen 10 september worden de
gevangenen naar cellen in de Bomvrije Kazerne in Vlissingen
overgebracht. Luciën Vandevijver uit Zelzate heeft eind november 1944
Walcheren bezocht met het doel naspeuringen naar zijn drie landgenoten
te doen. Van personen die tijdens de bezetting in de Bomvrije Kazerne
als personeelsleden hebben gewerkt, komt hij te weten dat Albert de
Colvenaer, Yvan de Colvenaer, André Pierets, Wim Niesthoven en Andries
Dieleman daar opgesloten hebben gezeten. Op maandag 11 september om
7.00 uur in de morgen is de toegang tot de kazerne verboden. Ongeveer op
hetzelfde tijdstip worden de gevangenen in een militaire vrachtauto
geladen. Door de Slijkstraat en via de Badhuisstraat rijdt de auto naar
de zogenaamde ‘tweede duinen’. Met ‘tweede duinen’ wordt waarschijnlijk
de tweede duinovergang bij Klein-Valkenisse bedoeld. Tussen de
bunkersystemen ‘Carmen’ en ‘Fledermaus’, die zich toentertijd in de
duinen bij Klein- Valkenisse bevonden, worden de gevangenen
terechtgesteld.
De Pool Jan Rybicki, die in Duitse krijgsdienst is, staat die morgen
op wacht. Hij maakt een situatieschets en geeft deze aan een inwoner van
Vlissingen met het verzoek de tekening ter zijne tijd aan het
Nederlandse bestuur te geven. Na de oorlog vertelt hij de executies van
enige afstand te hebben gezien. De gevangenen moeten, nadat ze uit de
vrachtwagen zijn geklommen, onderlangs de duinen langs een omweg tegen
een hoog duin opklimmen. Boven aangekomen is het vuurpeloton, dat zich
enigszins in de diepte bevindt, reeds aanwezig. De gevangenen, van wie
de polsen met touwen zijn vastgebonden, worden in een rij opgesteld met
hun rug naar de zee. Als het vuurpeloton gereed is, worden de executies
voltrokken, waarna een Duitse legerarts bij allen de dood constateert.
De lichamen worden ter plaatse in het duinzand begraven.
Na de oorlog
In het voorjaar van 1945 wordt met behulp van de schets van Rybicki
zonder resultaat naar de slachtoffers gezocht. De Pool, die inmiddels
dienst doet bij het geallieerde leger in Duitsland, wordt opgespoord. Op
10 januari 1946 bezoekt hij de toenmalige gemeentesecretaris van
Biggekerke, de heer De Wolf. Zij gaan naar de duinen, waar Rybicki de
plaats van de terechtstelling aanwijst. Na zijn vertrek gaat De Wolf
direct samen met de boswachter Stoffel Wijkhuys naar de executieplaats
en markeert deze. Wijkhuys geeft de vindplaats door aan de bevoegde
autoriteiten, waarop in bijzijn van de patholoog anatoom Dr. J.P.L.
Hulst uit Leiden op dinsdag 15 januari een onderzoek wordt ingesteld. In
een massagraf bovenop de duinen aan de zeekant worden op ongeveer 1,5
meter diepte de lichamen van de vijf mannen gevonden, die op maandag 11
september 1944 zijn terechtgesteld. Dichtbij ligt het lichaam van een
zesde persoon, dat op 16 januari wordt geïdentificeerd als Johan van der Weij. Hij is daar op dinsdag 19 september 1944 gefusilleerd.
De herbegrafenis van Wim Niesthoven en Johan van der Weij vindt
plaats op zaterdag 19 januari 1946 op de Algemene Begraafplaats te
Middelburg. De lichamen van de drie Belgen worden op maandag 21 januari
onder grote belangstelling in Zelzate (België) ter aarde besteld. Op
dezelfde dag wordt Andries Dieleman begraven op de Algemene
Begraafplaats te Wissenkerke.
In de duinen bij Klein-Valkenisse wordt een eenvoudig kruis
geplaatst als herinnering aan hetgeen daar is gebeurd. In 1979 is het gedenkteken echter verdwenen. Dankzij de activiteiten van Piet Schreijenberg uit Biggekerke en met hulp van de leden van de Biggekerkse
brandweer wordt hoog op het duin een nieuw kruis geplaatst. Op 17
september 1994 wordt bij de kruising Klaassesweg-Valkenisseweg een
kleine plaquette onthuld, die uitleg geeft over wat zich in die
septemberdagen van 1944 in de duinen bij Klein-Valkenisse heeft
afgespeeld, opdat wij niet vergeten!
Monument
Het gemeentebestuur van Wissenkerke had zich in april 1946 voorgenomen
om op de begraafplaatsen Kamperland en Wissenkerke een algemeen
oorlogsmonument op te richten voor alle mensen die in de Tweede
Wereldoorlog waren omgekomen. Maar doordat de gemeente op dat moment
niet genoeg geld had en door de herbegrafenis van Dieleman werd het in
Wissenkerke een ander verhaal. In Kamperland is er nooit een monument
gekomen.
Al bij de herbegrafenis van Dieleman op 21 januari 1946 had
burgemeester Van der Maas van de gemeente Wissenkerke bij het graf in
het openbaar de toezegging gedaan dat de gemeente een gedenksteen op het
graf zou plaatsen. De gemeente hield woord. Op dinsdag 6 mei 1948 werd
onder grote belangstelling door de burgemeester van de gemeente
Wissenkerke het grafmonument voor A.P. Dieleman overgedragen aan de
familie Dieleman. Na een kranslegging door een onderduiker die bij de
familie Dieleman had gezeten, bedankte de familie Dieleman de gemeente
en de bevolking voor de eer die aan de overledene werd bewezen. Hierna
volgde nog een herdenkingsdienst in de Nederlands Hervormde kerk. Daar
spraken zowel ds. Meijer (Hervormd predikant) als ds. Visser
(Gereformeerd predikant). Het ontwerp van het monument was van R.
Slotema, aannemer, uit Wissenkerke. Na verloop van tijd raakte het
monument in de vergetelheid.
Speciale dank aan Ko Dieleman te Kortgene, die ons van informatie
heeft voorzien over het monument en de tragische gebeurtenissen rondom
zijn broer Andries.
*Geschreven als lesboekje over de Tweede Wereldoorlog
op Noord-Beveland, voor de basisschool, groep 7 en 8.
Bronnen:
A.J. Barth, dr. A.L.Kort, Tussen isolement en ontsluiting. Een
bestuurlijke geschiedenis van Noord-Beveland, 1795-1995, Noord-Beveland
2005, pag. 119-164. Uitgave gemeente Noord-Beveland, 2005 (ISBN 10:
90-810151-1-7 en ISBN 13: 97890-810151-1-0). H.J. Vader, Het kruis in de
duinen bij Klein-Valkenisse, Biggekerke 1999, pag. 28-38, 43-44. Uitgave
ADZ Vlissingen, 1999 (ISBN 90-9012925-1). Stukken betreffende plaatsing
van 2 oorlogsmonumenten op algemene begraafplaats te Wissenkerke en een
monument in het dorp Kamperland, 1946-1948. Plaatsingslijst gemeente
Wissenkerke, nr. 1185. GA Noord-Beveland.
|