Voorjaar 2026

RINGRIJDEN OP ZUID-BEVELAND

Het Historisch Museum De Bevelanden in Goes heeft al een groot aantal jaren een vereniging de ‘De vrienden’ van dat museum. Sinds kort hebben ze weer enkele nieuwe bestuursleden en dat zorgt weer voor nieuw elan. In hun eerste nieuwsbrief van 2026 lezen we weer veel activiteiten die ze dit jaar gaan organiseren, maar ook nieuws over het museum.

Zo lezen we over een houtskooltekening over het ringrijden op Zuid-Beveland van Otto Eerelman, eind 19de eeuw, die ze ontvangen hebben. Otto Eerelman (1839 – 1926) was een Groningse schilder die onder andere beroemd is geworden door zijn schilderijen van paarden en honden. Hij heeft ook een tijdje op Zuid-Beveland verbleven, in welke periode hij de houtskooltekening heeft gemaakt.

Het ringrijden is een volksvermaak wat men tegenwoordig vooral in Walcheren ziet. Gezeten op ongezadelde paarden probeert men in galop met een lans een ring te steken. Dat in Zuid Beveland in het verleden ook veel werd ringgereden is nu nog weinig bekend. Diverse Bevelandse dorpen organiseerden hun eigen wedstrijden. Op de kermissen van Kruiningen, Heinkenszand (de “Eintjessandse markt”), Hoedekenskerke, Baarland, ’s-Gravenpolder, Kwadendamme was er een speciale ringrijdag. De andere dorpen organiseerden ook wedstrijden op bijzondere dagen zoals nationale feestdagen of bij een inhuldiging van een burgemeester. Echter rond de eerste wereldoorlog raakte het Bevelandse ringrijden in de vergetelheid. Incidenteel vinden er heden ten dage nog wel ringrijdagen op de Bevelanden plaats.

Het museum heeft deze houtskooltekening in bruikleen genomen omdat de tekening juist het ringrijden op Zuid-Beveland laat zien. Uit onderzoek blijkt dat deze wedstrijd plaatsvond in Oudelande op 15 juni 1889. Dit is de dag dat Burgemeester Pieter van Wingen zijn 40-jarig jubileum vierde. Links tussen het publiek is de burgemeester te zien in zijn boerenpak met een ambtsketen om zijn nek. Maar de duidelijkste aanwijzing dat deze wedstrijd in Zuid-Beveland plaatsvindt, is de vorm van de lans. De Walcherse lans is lang en heeft een contragewicht aan de achterkant en men houdt hem onder de arm vast. Op de tekening zien we een korte lans die bovenhands wordt vastgehouden. Ook bij de ruiters op de achtergrond zien we enkele korte lansen. Het gaat hier om de “pinne” of “’t korte stokje”. Deze lans is geheel van hout, dat zoals een biljartkeu spits toeloopt, en meet 50 tot 75 cm. Hoewel de “pinne” tegenwoordig nog nauwelijks wordt gebruikt is hij nog niet geheel vergeten. Het Reglement van de Zeeuwse Ringrijders Vereniging maakt een uitzondering voor Zuid-Bevelandse leden. Ze mogen wel met “’t korte stokje” meedoen maar dan moet de wedstrijd wel plaats vinden in Zuid-Beveland. Het lange stokje uit Walcheren heeft tegenwoordig de voorkeur.

Foto: Houtskooltekening van Otto Eerelman (1839–1926)

Gepubliceerd 4 april 2026

Link naar artikel op facebookpagina 


HOTEL TIVOLI

Op de Facebookpagina Rondje Goes stond deze foto - een ansichtkaart uit 1949, uitgegeven door J. Torbijn - van Hotel Tivoli in de Frans den Hollanderlaan in Goes. Het is de straat tegenover het NS-station richting het stadscentrum. Deze straat, waarvan de naam eerst Stationsweg was, is genoemd naar Franciscus Querien (Frans) den Hollander (1893-1982). Hij is geboren in Goes als zoon van een kledingwinkelier en was van 1947 tot 1958 president directeur van de Nederlandse Spoorwegen. Vanwege de electrificatie van de Zeeuwse spoorlijn en uit waardering voor deze geboren Goesenaar werd in 1957 de naam van deze straat gewijzigd Frans den Hollanderlaan.

Tegenover dat station had je op beide straathoeken een hotel. Lopend uit het station had je links Hotel Terminus en rechts Hotel Tivoli. Veel volgers van Rondje Goes hebben dat hotel gekend en haalden herinneringen op. Peter Frijhoff, een vaste volger die vaak wat meer over de geschiedenis weet te vertellen is ook gedoken in de geschiedenis van Hotel Tivoli. We hebben dat aangevuld met informatie van de website GoesDronk.

Nadat op 1 juli 1868 het station te Goes is geopend, wint Ignatius Walkenhaus de inschrijving voor de pacht en exploitatie van het buffet. Samen met zijn echtgenote openden ze in 1869 het hotel. Ignatius Walkenhaus had zich op 24 december 1868 te Goes gevestigd. Op 5 januari 1869 laat hij in een advertentie weten dat hij zijn stationskoffiehuis heeft geopend, "ook voor hen, die van den Spoortrtein geen gebruik wenschen te maken". ( ) 1866 gehuwd te 's-Hertogenbosch met Hertogenbosch in januari 1844.

In september 1869 steekt hij het Stationsplein over en krijgt toestemming tot het bouwen van een koffiehuis op een stuk grond tegenover het station, en het maken van een uitrit tegen een retributie van fl. 1,-- per jaar. Wanneer Tivoli precies geopend wordt is onduidelijk, maar al in juni 1870 vraagt mejuffrouw Walkenhaus een keukenmeid voor 'het nieuwe koffijhuis bij het station'. In het tweede halfjaar van 1870 verschijnen regelmatig advertenties voor 'bal met vrij entree in koffijhuis Tivoli aan het station'.

In 1873 pacht hij tegen een retributie van fl. 1,- per jaar een stuk grond van 35 centiare van de gemeente en krijgt hij vergunning voor het leggen van een brug over de sloot aan de Stationsweg voor een door hem te bouwen drinkhal. Wellicht zijn dit de afstalling, schuren en stalhouderij waar regelmatig o.a. paardenkeuringen en -veilingen plaatsvinden. Hij is nog steeds eigenaar van Tivoli wanneer hij op 24 oktober 1874 ook koffiehuis De Harmonie aan de Groote Markt (later De Beurs) opent. In mei 1877 neemt Walkenhaus' zwager Paulus Leonardus Krüger De Harmonie over en vertrekt Walkenhaus met zijn gezin naar Rotterdam waar hij op 1 juni Café des Hollandais overneemt.

In maart 1877 neemt in april 1872 huwt met (Jan) , de vergunning voor Tivoli over. Hij is koetsier als hij , geboren te Hoofdplaat in juni 1844. Na zijn overlijden in januari 1884 zet zijn weduwe Rosalia Rijk-Peeters het koffiehuis voort. In april 1890 huwt Rosalia met de eveneens uit Hoofdplaat afkomstige landbouwer , geboren in mei 1845 en nemen ze samen de exploitatie op zich. Het is een tijd van tentoonstellingen en boogschutterswedstijden, waarbij Johannes Tas diverse jaren achtereen het schutterskoning- of -prinsschap verwerft. In februari 1904 overlijdt Rosalie na een kortstondige ziekte.

Op 21 mei 1906 wordt het Stationskoffiehuis Tivoli, samen met een naastgelegen boomgaard als bouwterrein, namens J.F. Tas door notaris Mulock Houwer openbaar verkocht. In de beschrijving staat o.a. 'Woonhuis, ruime Gelagkamer, Schuren, Erf en Tuin'. Hoogste bieder met fl. 14.540 plus fl. 150 voor wat losse goederen is volgens een bericht in 3 verschillende kranten van 24 mei 1906 . Volgens de Zierikzeesche Nieuwsbode van 26 mei 1906 waren echter de kopers de . voor hetzelfde bedrag. De gebroeders den Hollander hebben een schildersbedrijf en het is mogelijk dat zij laagste inschrijver waren bij het 'opknappen' van het pand. Tas wordt hoofdagent van de Onderlinge Verzeekeringsmaatschappij Almelo. Josias Fukken is ook eigenaar en exploitant van Du Commerce in de Korte Kerkstraat. Of hij ooit zelf de exploitatie van Tivoli heefft gedaan is niet waarschijnlijk

Op 7 juni 1906 vraagt vergunning voor het schenken van sterke drank in het klein op perceel Stationsweg E345. Tivoli wordt opgeknapt, er wordt enig schilderwerk verricht en via een advertentie in de Goessche Courant meldt Jan Peeman op 7 augustus 1906 dat hij het 'Hotel Café-Restaurant 'Tivoli' aan den Stationsweg, vroeger J.F. Tas' heeft geopend.

Het lijkt de eerste keer dat Tivoli ook als hotel wordt genoemd. Peeman is geboren te Middelharnis rond 1885 en huwt in april 1907 met , geboren te Goes in september 1884. In de nacht van zaterdag 15 op zondag 16 augustus 1908 breekt brand uit in de achter het café staande schuur en wagenhuis. De brand slaat over naar woonhuis en café die evenals de inboedel nagenoeg geheel in vlammen opgaan. Elizabeth is op dat moment op bezoek bij haar schoonouders in Middelharnis en wordt per telegram op de hoogte gesteld. Blijkbaar is Peeman goed verzekerd bij de Maatschappij Labor te Den Haag, al op 20 augustus betuigt hij via een advertentie zijn tevredenheid over de afhandeling en raadt iedere neringdoende in Goes aan zich bij Labor te verzekeren.

De herbouw gaat snel want al op 6 februari 1909 heropent Peeman Tivoli in een nieuw gebouw naar ontwerp van architect F.G. Rothuizen zoals dat op oude ansichtkaarten te zien is. De Goessche Courant meldt op 9 februari 1909 dat "het café Tivoli... fraaier en practischer ingericht als café-hotel is herrezen". Lang heeft Jan Peeman niet van zijn nieuwe hotel kunnen genieten. Op 6 mei 1910 overlijdt hij, 25 jaar oud, in sanatorium 'Putten' te Putten in Gelderland.

Na het overlijden van haar man zet Elizabeth Peeman-Jacobs de exploitatie voort. In augustus 1912 huwt zij met de uit Zaltbommel afkomstige koopman/commissionair . Overigens weigert de vader van Elizabeth formeel toestemming voor het huwelijk te geven. In 1917 dient De Graauw een verzoek in tot het hebben van een kokerij, zouterij en pellerij van mosselen op perceel E7 = Stationsweg 12 = Tivoli. Tot wanneer hij precies Tivoli heeft geëxploiteerd is onduidelijk, maar na zijn vertrek uit Tivoli verhuist hij naar de andere kant van de Stationsweg en koopt het huis aan de Stationsweg 37. Op 4 augustus 1917 vestigt , geboren te Princenhage in augustus 1880 zich in hotel Tivoli en neemt de exploitatie over. Hij is in november 1911 gehuwd te Princenhage met , geboren te Oudenbosch in december 1878.

In 1921 gaat de exploitatie van Tivoli over naar de familie De Clercq. Wanneer Aloijs Pierre de Clercq in 1945 overlijdt wordt hij opgevolgd door familielid L. de Clercq. We lezen overigen op GoesDronk ook dat in 1936 J. Melsen uit Roosendaal eigenaar van Tivoli is en hij de zaak m.i.v. augustus dat jaar te huur zet. J.C.H. van den Berg huurt de zaak en neemt die wellicht later over van Melsen. In 1940 staat zoon Charles geregistreerd als hotelhouder. Vlak na de Tweede Wereldoorlog in 1945 biedt Tivoli kort onderdak aan diverse instanties. Genoemd kunnen worden de commissie voor hulp aan repatriërenden, het Provinciaal Bureau van den Wederopbouw, het Gewestelijk Arbeidsbureau en voor den Bouwnijverheid.

In 1947 wordt het hotel geheel gerestaureerd en in juli 1947 is de heropening door Hubertus Huige en Klazina Driedijk. In mei 1941 waren zij in het huwelijk getreden. Op 21 december 1956 wordt het hotel definitief gesloten. Huib Huige overlijdt in augustus 1957. In de periode 1957 tot 1983 is het pand in gebruik als kantoorpand voor verschillende organisaties. Daarna wordt in het kader van herinrichting van Koepoort- en stationsgebied en een betere ontsluiting van de Zuidwestelijke binnenstad met verbreding en doortrekking van de Piet Heinstraat en Wulfaertstraat besloten tot sloop. In 1984 is de sloop van het pand voltooid.

Gepubliceerd 20 april 2026

Link naar het artikel op facebook 

Gepubliceerd 20 april 2026


HOF HET SCHILD

In 2021 publiceerden we deze oproep van Bert Rijk uit het Gelderse Bemmel: “Langs deze weg wil ik vragen hoe ik de geschiedenis van hof “Het Schild” nabij Platschorre in de Nieuw Ovezande polder kan achterhalen.”

Zijn oma (Jobina Aalbrechtse Rijk) van moederskant is daar geboren. Zijn overgrootouders waren: Aalbrecht Pieterse Rijk (geboren 14-11-1863 en overleden 24-01-1927 te Ovezande) en Magdalena de Jonge (geboren te ’s Heer Arendskerke op 17-09-1860 en overleden 13-01-1950 te Ovezande). Ze woonden op die boerderij.

Onze vragensteller verwijst nog op het boek Zuid-Beveland van prof. C. Dekker op de pagina’s 237/239 over het ontstaan van Ovezande . We zetten de vraag ook uit in onze klankbordgroep, waarop we van oud-aardrijkskundeleraar Ko Dek informatie ontvingen. Het is te vinden op:

HOF HET SCHILD “Langs... - Heemkundige Kring De Bevelanden | Facebook

Maar nu - vijf jaar later in 2026 - ontvangen we een brief met enkele fotocopieën van een mevrouw uit Vogelwaarde. We weten geen adres, zodat we haar niet persoonlijk kunnen benaderen. Ze heeft informatie van een meneer die in de buurt van Hof het Schild heeft gewoond en die werkte bij het waterschap. Er wordt vermeld dat er in de buurt van deze boerderij een watertoren stond, die inmiddels is afgebroken. Later is er op die locatie een ‘bolwoning’ gebouwd. Deze mevrouw heeft die woning als kind nog gezien.

De meneer, die in de buurt woonde, schrijft nog iets over de bewoners van Hof het Schild: “het waren sociale mensen”. In de omgeving schijnt er ook een ‘zwerver’ geweest te zijn, die oorspronkelijk uit het Zeeuwvlaamse Clinge afkomstig was. Hij was goed herkenbaar want hij liep op klompen met een reservepaar op zijn rug gebonden. Deze man overnachtte wel eens op Hof het Schild.

Onze briefschrijver vermeld dat die zwerver er alleen tijdens de zomermaanden was. Ieder jaar in het najaar viel hij met zijn klompen een politieman aan en trok soms de knopen van het politieuniform. Hij werd daarop gearresteerd en kreeg dan een celstraf van enkele maanden, zodat hij tijdens de wintermaanden onderdak had. In het voorjaar waar hij weer welkom deze boerenhoeve.

We kunnen niet nagaan of het allemaal klopt, maar het is een leuk verhaal en een aanvuling op de geschiedenis van het leven in de Zak van Zuid-Beveland.

Foto: Plattegrond met de Nieuw Ovezandepolder en het midden de locatie ‘t Hof Schild.

Reactie Martin Smits: Dat verhaal van de zwerver komt me (uit de overlevering) bekend voor. Hoewel ik niet zeker weet of dat dan dezelfde is.

Link naar het artikel op de facebookpagina 

Gepubliceerd 22 april 2026


TRANSPORTBEDRIJF WILLEM VAN DER ENDT

In 1932 verhuisden, de uit Yerseke afkomstige , Willem van der Endt en zijn vrouw Johanna van der Endt-Dijkwel naar Goes. Het zou het begin worden van een bedrijf dat we nu nog kennen als Internationaal Transport Willem van der Endt, gevestigd op het industrieterrein De Poel aan de Volkerakstraat in Goes. De geschiedenis van dit bijna 100-jarig bedrijf lezen we op hun website.

In 1914 trouwt de dan 19-jarige Willem van der Endt in Yerseke met zijn even oude dorpsgenote Johanna Jacomina Dijkwel. Willem is landbouwersknecht, zoon van oesterkweker Pieter van der Endt en Janna Koster. De ouders van de bruid zijn schippersknecht Cornelis Marinus Dijkwel en Pieternella Glerum.

Het echtpaar krijgt eerst drie kinderen, die allen in Yerseke zijn geboren. Twee zonen, in 1915 Pieter Cornelis en in 1917 Cornelis Pieter (roepnamen Piet en Kees) In 1921 wordt dochter Janna Pieternella (roepnaam Jannie) geboren.

Het jonge echtpaar moeten heel ondernemend geweest zijn want volgens de website van het transportbedrijf verhuisde het gezin naar Kruiningen waar ze een winkeltje begonnen. Wat ze verkochten hebben we niet kunnen achterhalen. We vinden wel een bericht in de Goesche Courant van 5 november 1928 dat W. van der Endt zich vanuit Kruiningen in Kloetinge heeft gevestigd op B77. Volgens kentekenregistratie Zeeland was het transportbedrijf in 1932 gevestigd op het adres Vogelzangscheweg B73, Kloetinge (thans Goes). Willem zou de eerste jaren mogelijk gewerkt hebben bij een zaadhandel Serrarens. Volgens de kranten uit die periode was er inderdaad een Zaadhandel Ch.P. Serrarens in Goes.

Ook lezen we op de website van het bedrijf dat het gezin in 1932 woonde in de Rimmelandsstraat in Goes en verhuisde naar de Nieuwstraat in Goes alwaar Willem met zijn twee zonen, die inmiddels 17 en 15 jaar waren, zich lieten inschrijven als transportfirma bij de Kamer van Koophandel.

In het oorlogsjaar 1940 wordt er nog een derde zoon geboren, die net als zijn vader de naam Willem krijgt. Deze Willem van der Endt jr. zal later met zijn zonen het bedrijf voortzetten.

De bedrijfswebsite meldt dat in 1941 de familie verhuisde naar de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat. Dit adres bestond uit een café, woonhuis, erf met paardenstallen en garage voor de vrachtauto’s. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de vrachtauto’s gevorderd om dienst te doen in het Duitse bezettingsleger. Na deze tegenslag werd er verder gewerkt met paarden en wagens. Dat werk bestond voornamelijk uit het leeg- en vol rijden van schepen die de haven van Goes aandeden, met o.a. zand en grind. Ook werd er vee vervoerd. Uiteindelijk werden de paarden ook in beslag genomen.

Na de Tweede Wereldoorlog begon de wederopbouw van Nederland. Bedrijven werden door de rijksoverheid geholpen (vanaf 1947 de Marshallhulp) om de economie weer op te bouwen. Ook het transportbedrijf van Willem van der Endt kon weer vrachtwagens aanschaffen en er kwam personeel.

De meeste bedrijven hadden zich in die naoorlogse jaren in Goes in en om het stadscentrum gevestigd en langs het kanaal en de haven. Voor het transportbedrijf werd de ruimte in de ‘s Heer Hendrikskinderenstraat te beperkt. Men vond een nieuwe locatie ‘onder de watertoren’ aan de Kloetingseweg 53 (schuin tegenover de voormalige speeltuin De Tol). Hier werd op 13 november 1950 de eerste steen gelegd voor de bouw van een garage/werkplaats door Willem van der Endt jr.

Het werd een tijd van economische bloei. Tonnen met vracht werden dagelijks met de hand op en af de wagens gesleept om op de meest onmogelijke plekken te worden afgeleverd. Twee trappen naar beneden de kelder in met zakken van 50 kg suiker (“zet ze daar maar neer”), 25 ton pootaardappelen in losse zakken laden en lossen. Het is nu ondenkbaar, maar toen de normaalste zaak. Het bedrijf werd nu geleid door Piet en Kees van der Endt en Jan Sinke (echtgenoot van Jannie van der Endt).5

Begin 1963 komt ook de jongste zoon, de 23-jarige Willem van der Endt jr., in het bedrijf werken. Ook het aantal vrachtauto’s en chauffeurs/bijrijders breidt zich uit. De werkzaamheden verplaatsten zich voor een deel naar de geboorteplaats Yerseke van de familie Van der Endt. Er werd gereden met zakken mosselen in open laadbak, koel/vrieswagens bestonden nog niet. Ook werden landbouwproducten, melk, graszaad en suiker voor de Suikerfabriek in Stampersgat bvervoerd.

Het bedrijf groeide na 1965 uit tot een internationaal transportbedrijf. De vrachten bestonden uit landbouwproducten, natuursteen, staal, containers en bakkerijgrondstoffen. Er werd samengewerkt met andere transportbedrijven in groupagediensten. Men verzorgde de transporten met vliegvelden, o.a. Parijs. Er werd gereden daar heel Frankrijk en Italië.

Eind jaren 1980 kwam er een reorganisatie. De twee oudste zonen van de oprichter Piet en Kees van der Endt en hun zwager Jan Sinke stapten uit het bedrijf. Het bedrijf werd voortgezet door de jongste zoon Willem van der Endt jr. In april 1989 werd de locatie ‘onder de watertoren’ verkocht, na een kleine 40 jaar aldaar gevestigd te zijn geweest verhuisde het bedrijf naar Industrieterrein De Poel I in Goes.

Thans staat de derde generatie aan het roer van dit familiebedrijf. De zonen van Willem van der Endt jr. Daan, Wim en Gert-Jan van der Endt. Het volledige verhaal is ook te vinden op de website van het bedrijf: https://www.willemvanderendt.nl/historie

Foto 1: De eerstevrachtauto met Willem van der Endt, hier poserend met zijn vrouw. 

Foto 2: Het vrachtwagenpark kort na de Tweede Wereldoorlog.

Link naar het artikel op de facebookpagina 


VAN VLEESCHHOUWER TOT SLAGER

In dagblad De Zeeuw van 5 maart 1887 zoekt een ‘flink jongmensch’ in Kolijnsplaat met 4 jaar werkervaring een betrekking om verder opgeleid te worden tot ‘slager en vleeschhouwer’. Wie de werkzoekende is weten we niet. Reacties moesten gestuurd worden naar boekhouder C.M. Douw. Het beroep vleeshouwer, toen nog met sch, is de oude benaming voor wat we nu slager noemen. Eigenlijk ook geen goede benaming want de tegenwoordige slager is meer een vleesverkoper.

In 1807 gelaste de Franse keizer Napoleon bij decreet in Parijs de oprichting van een abottoir (slachthuis). Reden waren de vele voedselvergiftingen door het eten van vlees (Trichinose). De negentiende eeuw was nog de tijd dat iedere stad of dorp tal van kleine slagerijtjes had waar de eigenaar zelf het vee slachtte, soms gewoon midden op straat. Maar het gebeurde, vooral in Zeeland, vaak op de boerderij. Dat zorgde voor stank en onhygiënische toestanden. In Nederland werd het eerste gemeentelijke slachthuis in 1852 in Den Bosch gebouwd. In 1892 werden in Amsterdam de slagters verplicht gebruik te maken van het centrale abottoir.

Pas in de twintigste eeuw werden de eerste slachthuizen in Zeeland gebouwd. Kleine ruimten door particulieren opgericht. In 1922 kwam de Vleeschkeuringswet tot stand, waardoor de gemeentelijke abattoirs mochten keuren volgens een rijkskeuringsregulatie, zodat uniformiteit werd verkregen. In 1920 kwam er een klein slachthuis in Driewegen en in 1928 in Goes aan de Zaagmolenstraat het eerste gemeentelijke abottoir van Zeeland. Een verplichting om daar te slachten was er nog niet.

Voordat het slachthuis in Goes gebouwd kon worden leidde dit tot een ‘abottoirkwestie’ met heftige discussies, waarvan de Zeeuwse kranten verslag deden. In het christelijke dagblad De Zeeuw van 10 november 1926 lezen we het verslag van een bijeenkomst van de slagersvereeniging in het Schuttershof te Goes. Ook burgemeester Hajenius en enkele gemeenteraadsleden waren aanwezig. Speciaal voor deze bijeenkomst waren ‘deskundigen’ uitgenodigd zoals ‘de heer Th. Cuyper, leider van de slagersvakschool in Bilthoven’. Hij was ook hoofdredacteur van het vakblad De Vee-en Vleeshandel, het blad van de belangenorganisaties van de slagers. Hij verwonderde zich er over dat er een abottoir-kwestie was. Volgens hem waren alle slagers bereid aan de wettelijke eisen te voldoen. Een slachthuis was geen verplichting en de noodzaak uit hygiënisch oogpunt was er ook niet. Duidelijk een tegenstander van de bouw van een abottoir. Dat het hoofd van de Keuringsdienst voorstander was vond hij te begrijpen omdat hij dan zijn functie makkelijker kon uitvoeren. De slagers in Goes vonden het een ‘vrijheidsbeknotting’. Ook de kosten voor bouw en exploitatie vond men te hoog. Volgens architect Rothuizen was het goedkoper om één abottoir te bouwen dan zestien slagerijen te verbouwen. De protesten mochten niet baten. In 1927 werd de bouw van een abottoir aanbesteed voor ongeveer 25.000 gulden. Aanzienlijk lager dan de 150.000 gulden waar eerst over gesproken werd.

In Zeeland bestaan geen openbare slachthuizen meer. In Driewegen werd het tijdens de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd en in 1945 afgebroken. In Goes werd het in 1969 afgebroken om plaats te maken voor een ‘evenemententerrein’, het huidige Molenplein. Zo verdwenen in de jaren zestig en zeventig de meeste slachthuizen in Zeeland. Het slachtwerk gebeurt nu in industriële slachthuizen, waarvan er nog een paar in deze provincie zijn.

Foto 1: Cornelis (Kees) Blokpoel, slager op de hoek van de Sint Adriaanstraat en de Wijngaardstraat te Goes met zijn zoontjes Wim en Jan, omstreeks 1912.

Foto 2: Slagerij Van den Hove in de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat te Goes omstreeks 1915.

Reacties: Peter Frijhoff: Ik denk dat de slagers ook om andere redenen tegen een centraal (overheid)slachthuis waren. Slagers slachtten namelijk niet alleen eigen beesten voor worst- en vleesverkoop, ook particulieren die achter hun boederijtje of warmoezie een varkentje hielden voor eigen gebruik konden bij de slagers hun beestje laten slachten, pekelen en roken. Daar zal er vast wel eens eentje buiten het oog van de belastingontvanger zijn gebleven.

Gepubliceerd 21 mei 2026

Link naar het artikel op de facebookpagina 

 

Kees Griep: Het slachthuis aan de Zaagmolenstraat te Goes

 


DE VAKSCHOOL VOOR MEISJES

DE VAKSCHOOL VOOR MEISJES In september 1968 bestond in Goes de Vakschool voor Meisjes vijftig jaar. Van dat jubileum ontvingen we een boekje met een voorwoord van de toenmalige directrice A. Waalwijk. Op 1 mei 1918 werd de school opgericht door de Vereniging ‘De Ambachtsschool’ op initiatief van de directeur van die school A.F. van der Wart.

De oprichter vond dat er na 42 jaar onderwijs voor jongens ook iets gedaan moest worden voor meisjes. In Middelburg was er sinds een half jaar een Industrie- en Huishoudschool, de Zeeuwse Landbouwmaatschappij (ZLM) gaf kooklessen aan ‘boerendochters’ en in Sluis kon je leren kantklossen. Op de Bevelanden was er niets voor de meiden. Dat kon natuurlijk niet.

De Vakschool startte in 1918 tijdelijk in de voormalige weverij van het oude Gasthuis en op diverse lokaties verspreidt in de stad. De eerste directrice was ‘mejuffrouw’ A.C. Simmermans, die in 1923 werd opgevolgd door mejuffrouw W.C. Weststeijn. Men startte met 34 leerlingen voor de dagschool en 22 voor de avondcursus. Vooral de cursussen naaien en koken waren in trek. In 1925 kon de Vakschool een eigen gebouw betrekken in de Wijngaardstraat, het huidige hotel Katoen. Tot 1942 bleef men in dat gebouw. Toen werd het gebouw door de Duitse bezetter gevorderd om als tehuis te dienen voor gevluchte ouderen van Walcheren. Pas in 1947 kon men weer terug in het gebouw aan de Wijngaardstraat.

Na de Tweede Wereldoorlog groeide het aantal leerlingen. Het was nog steeds volgens de vaste rolpatronen, maar het voortgezet onderwijs voor meisjes werd steeds normaler. Er kwamen nieuwe opleidingen, zoals een 3-jarige vooropleiding voor lerares. In 1955 werd de bouw voor een nieuwe school aan de Bergweg in Goes aanbesteed. De bouw zou drie jaar in beslag nemen, o.a. door een faillissement van de aannemer. In het jaar dat de school veertig jaar bestond - 1958 - konden de lessen in het nieuwe gebouw beginnen. Tijdens de officiële opening op 16 december 1958 ging directrice Weststeijn met pensioen. Ze zou zich tien jaar later nog laten horen bij het 50-jarig bestaan van de school door het beschrijven van de geschiedenis van die school in een jubileumboekje, waarvan dit artikeltje een verkorte versie is.

Foto 1: De kookcursus voor boerendochters.

Foto 2: Het personeel van de Vakschool voor Meisjes in de jaren 1920.

Gepubliceerd 27 mei 2026

Link Facebook


BEVORDERING VREEMDELINGENVERKEER

In 1920 verscheen een gids ter bevordering van vreemdelingenverkeer op Zuid- en Noord Beveland. Een boekje van honderd pagina’s. We hebben het dan niet over arbeidsmigranten of vluchtelingen maar over toeristen. Het was een uitgave van de Vereeniging tot bevordering van Vreemdelingen Verkeer, nu bekend onder de afkorting VVV. Een organisatie die in Zeeland in 2021 is opgeheven. Gemeentebesturen en provinciebestuur hebben getracht deze taken over te nemen. Onder druk van het afnemend aantal toeristen vindt men nu dat promotie toch iets meer vraagt dan een gelikte website en slogan.

Honderd jaar geleden werd het toerisme gepromoot met een gedrukt boekje, van verenigingen opgezet door ondernemers. Het boekje begint met een gedicht waarin de dijken van de Bevelanden worden bejubeld. Er is aandacht voor architectuur van de stad Goes. De Maria Magdalenakerk, het stadhuis, het Manhuis, het vischhuisje op de Kade en de waterpomp op de Beestenmarkt worden genoemd. En op het platteland in de dorpen ziet men ‘zeer aardige boerderijen’.

Er volgt ook een opsomming van nieuwe bouwwerken in de jaren twintig, zoals de nieuwe hervormde kerk in Nieuwdorp, het nieuwe gemeentehuis in ‘s-Heer Arendskerke, de school in Kwadendamme en het kleine gereformeerde kerkje te Kapelle (met de toevoeging: jammer dat de omgeving hiervan weder bedorven is door slechten woningbouw).

Wat de nieuwe toerist ook moet zien zijn het nieuwe gemeentehuis van Ierseke, de woningbouw van Nieuw-Goes (omgeving Rimmelandplein), het landhuis ‘Westdorp’ aan den Kloetingschen Straatweg te Goes en verder enkele scholen en woningen in ‘s-Heerenhoek. Wervend wordt afgesloten met ‘Moge ook in dit opzicht nog veel tot stand komen, om onze Zeeuwsche eilanden, die wat landschap betreft, zoo ongemeen mooi zijn, te verfraaien.’

Verder staan er veel advertenties in van Bevelandse bedrijven. Bedrijven die ook nu soms nog bekend zijn. Vaak zijn ze al heel lang geleden verdwenen, maar is hun naam nog steeds bekend. En sommige bedrijven zijn er, nu honderd jaar later, nog steeds.

Namen van bedrijven die nu verdwenen zijn, maar nog steeds bekend klinken zijn de hotels De Korenbeurs en Zoutkeet, beiden op de Grote Markt in Goes. De gevels zijn nog steeds herkenbaar aanwezig, maar nu van winkelbedrijven. In 1920 hadden ze samen een advertentie van een hele pagina met de aanhef: “De meest aanbevelenswaardige hotels te Goes”. En als bijzonderheid: “In deze hotels worden alle slaapkamers van sanitaire waschtafels en electrische verlichting voorzien”.

Een bedrijf dat nog steeds bestaat en toonaangevend is, heeft ook een paginagrote advertentie. D.J. van der Have in Kapelle en Goes ze hebben een ‘Afdeeling Zaadteelt en Zaadhandel’ en een ‘Afdeeling Boomkweekerij’. Ook een advertentie met een foto van een bijzonder mooie winkelgevel is ‘Hollandsch Sigarenmagazijn P.J. Somer’ op de ‘Groote Markt - Goes’. We zien ook Faberij de Jonge, die nog steeds op hetzelfde adres in de Lange Kerkstraat in Goes zit. Toen was het ‘Fa. Wed. B. Faberij de Jonge’. Nog steeds een bekende naam van een verdwenen kledingbedrijf is ‘Firma A. Wilking’ in Goes en Hulst. Een hele pagina met foto van de fraaie winkel met daaronder de tekst ‘Zeeland’s grootste manufacturenhandel’. Ook ‘Bondshotel De Tol’ aan de Kloetingsche Straatweg zien we. Bij oudere Goesenaren nog bekend als speeltuin met een café. Kerkorgelfabriek Firma A.S.J. Dekker in Goes staat er in. Later heeft de directeur een bijzondere rol tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarna groeit het bedrijf uit tot een internationale sporttoestellenfabriek met faam. IJs- en Melksalon ‘De Landbouw’ op de Groote Markt, nu nog steeds een bekende naam in de horeca.

Foto: De winkel van Wilking aan de Klokstraat in Goes in 1920. Nu zit daar de Hema.

Gepubliceerd 29 mei 2026

Link naar artikel op de facebookpagina 


ELLEWOUTSDIJK

In april werd deze foto gemaakt in Ellewoutsdijk, of zoals ze in het plaatselijk dialect zeggen Ellesdiek. Gewoon omdat de woning een mooi bouwwerk is. Er naast stond een bordje met een QR-code. Dacht dat daar iets over deze woning op zou staan. QR-code werkte niet, dan maar de foto in de facebookgroep Kiekje Bevelanden plaatsen. Thuis nog eens geprobeerd de QR code te openen. Het bleek een geluidsfragment te zijn over de Slag om de Schelde. Maar op de foto kwamen ook reactie’s. Iemand stuurde een pagina uit het boekje ‘Ellewoutsdijk, dorp aan de Honte’.

De Honte (ook wel Heidezee genoemd) was de naam van een deel van de huidige Westerschelde ten oosten van Terneuzen. De Honte is rond het begin van de jaartelling ontstaan als een riviertje, een zijrivier van de Schelde. In de vijftiende eeuw brak de zeearm die later de Westerschelde zou worden vanuit de Wielingen (dat is het gedeelte bij Vlissingen) van het westen door naar het oosten tot aan de Honte en werd de naam 'Honte' gebruikt voor de gehele zeearm. Vanaf de zeventiende eeuw gebeurde de afvoer van de Schelde voornamelijk via de Honte en ging men de naam Westerschelde gebruiken.

In dit boekje lezen we dat het de vroegere burgemeesterswoning was. Van 1885 tot 1925 was E.A. van der Bent burgemeester van het toen nog zelfstandige Ellewoutsdijk. Rechts van deze woning stond vroeger een wit huisje.

De burgemeester kocht dit woninkje, liet het slopen en er werd een serre aan zijn woning gebouwd. De straat, waaraan de woning staat, heeft verschillende namen gehad. De formele naam was Nieuwstraat, maar werd ook wel Breestraat of Dorpsstraat genoemd. Nu heet het de Van Hattumstraat. Deze straat is genoemd naar de familie Van Hattum, die een belangrijke rol heeft in het dorp.

In 1860 was Jan Christiaan van Hattum (1837-1909), JC genoemd, telg uit een schatrijke baggerfamilie, in Ellewoutsdijk. Daar ontmoette hij Frederika Prümers, de dochter van de ambachtsheer. In 1862 trouwde hij met haar en een paar jaar later liet hij een zomerhuis bouwen. JC was heel betrokken bij het dorp. Hij volgde zijn schoonvader op als ambachtsheer. Deze functie bleef in de familie. Talrijk zijn de schenkingen van de familie aan het dorp. Vooral de kerk profiteerde hiervan. Niet alleen werd de pastorie gebouwd, maar ze schonken ook andere zaken zoals kroonluchters, het avondmaalservies en het doopvont. De verjaardag van JC werd in Ellewoutsdijk gevierd alsof het Koningsdag was. Dat gebeurde zelfs nog nadat JC was overleden. In het huis werden rondleidingen georganiseerd en voor de ouderen een jaarlijks uitstapje. Over de geschiedenis van deze familie is door Anna van Suchtelen een boek geschreven ‘Versailles aan de Schelde’. Het zomerhuis Zorgvliet van de familie, dat het uiterlijk had van een ‘Marokkaans paleis’, werd bij de Slag om de Schelde in oktober 1944 verwoest.

Gepubliceerd 31 mei 2026

Link Facebook


CATHRIEN UIT HOEDEKENSKERKE

Een mapje met een krant uit 1930, schoolrapporten en een jubileumboekje van de ‘Vakschool voor meisjes’ uit Goes. Het blijft een paar maanden liggen, je komt het weer tegen en je vraagt je af: “Wat moet ik hier mee?”

Het zijn stukken die afkomstig zijn van Cathrien Jeronimus uit Hoedekenskerke. Een appje waarin staat: “Als je Hoedjeskerke binnen rijdt van de richting ‘s-Gravenpolder dan was het eerste boerderijtje rechts het ouderlijk huis van Cathtrien. Haar vader was hengstenboer.’

Er wordt nog informatie gestuurd, zoals een artikel uit De Volkskrant van 31 december 2005 met de kop ‘De ziel van Hoedekenskerke’. Het gaat over het verenigingsleven en de teloorgang van dit Zuid-Bevelandse dorp. We lezen deze passage: “Dorpsfiguren zijn uitgestorven, op mevrouw Jeronimus van 72 na, alom bewonderd om haar handgemaakte quilts, haar moestuinpracht. 'Je zit hier niet op een onbewoond eiland hoor', doceert mevrouw Jeronimus, die leuke jonge buurtjes uit Amersfoort en een warm hart voor Roemenië heeft.”

Het mapje met papieren is afkomstig van de klederdrachtvereniging Mooi Zeeland. Vermoedelijk zijn wat klederdrachtspullen van haar moeder aan deze vereniging geschonken en zaten deze papieren daarbij. We gaan verder zoeken in de archieven.

Op de website KrantenbankZeeland vinden we in de PZC van 22 maart 2022 een overlijdensadvertentie dat op 16 maart 2022 in Hoekenskerke Cathrien van Iwaarden-Jeronimus op 90-jarige leeftijd is overleden; ze is in 1932 geboren. Dat moet dus iemand anders zijn, want uit de stukken blijkt dat onze Cathrien op 20 juni 1933 in Hoedekenskerke is geboren.

Vreemd genoeg vinden we geen geboorteakte op de website ZeeuwenGezocht. We vinden wel een huwelijksacte dat op 14 mei 1930 in Nisse de 35-jarige vrachtrijder Govert Jeronimus (geboren in Kloetinge) getrouwd is met zijn leeftijdsgenote Anthonia Martina de Kok (geboren in Baarland). Zouden het haar ouders zijn? We weten het niet. Wel zien we dat er in 1935 een dochtertje is geboren, dat al na drie maanden is overleden. Of er nog meer kinderen zijn geboren weten we niet.

In het mapje zitten schoolrapporten van de Openbare Lagere School in Hoedekenskerke en van de Vakschool voor Meisjes in Goes. Ook enkele lege enveloppen die geadresseerd zijn aan Mej. C. Jeronimus, Molenstraat 4, Hoedekenskerke. Op het voorblad van het rapportboekje van de lagere school: AANTEEKENINGEN betreffende het gedrag, de vlijt, de vorderingen en het schoolbezoek. Met potlood zijn haar naam en geboortedatum ingevuld en dat ze op 1 april 1940 is toegelaten in de 1e klasse. Een maand later valt het Duitse leger Nederland binnen en vinden er hevige gevechten plaats in dit gebied.

Cathrien haalt zevens en achten op haar rapport, dat is volgens de toelichting ‘Ruim voldoende’ en ‘Goed’. In dat eerste jaar zijn de cijfers voor gedrag, vlijt, lezen, schrijven, rekenen en nuttige handwerken. Vanaf januari 1941 komt daar het vak Nederlandse taal bij. Daarvoor krijgt ze het cijfer acht en voor rekenen haalt ze een negen.

Het schooljaar loopt van april tot april. In het tweede jaar vanaf april 1941 krijgt ze ook de vakken aardrijkskunde, zingen en tekenen. Daarvoor haalt ze zevens en voor tekenen aan het eind van het schooljaar een acht. De studieresultaten blijven het zelfde en ieder jaar wordt Cathrien bevorderd naar de volgende klas. De rapporten zijn steeds in een keurig handschrift ondertekend door haar vader G. Jeronimus. We komen de namen tegen van de onderwijzeres De Hullu en hoofdonderwijzer Drenth. Vanaf 1944 een onleesbare handtekening van een andere hoofdonderwijzer. Volgens de PZC van 23 mei 1943 zou dat J.M. Traas moeten zijn, die met ingang van 1 juni 1943 is benoemd.

In september 1946 gaat Cathrien naar de Vakschool voor meisjes in Goes, ook bekend als de Huishoudschool, nu ondergebracht bij het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). Hier leert ze naaien, haken, breien, wasbehandeling en koken. Ook hier uitstekende cijfers. In 1948 haalt ze het getuigschrift primaire opleiding. In 1950 en 1951 komen daar de getuigschriften naaister en kostuumnaaister bij. Of Cathrien na haar schooltijd van het naaien haar beroep heeft gemaakt weten we niet. In 1968 is ze aanwezig bij het 50-jarig bestaan van de school. Ze wordt een maatschappelijk betrokken inwoonster van Hoedekenskerke die lid is van de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen. In 1971 is ze bij het 40-jarig bestaan van de Zeeuwse afdeling.

Op 9 maart 2023 komt ze nog in een paginagroot artikel in de PZC. Ze woont dan in zorgcentrum Theresiahof in ‘s-Heerenhoek en biedt het zorgcentrum een schilderij aan van kunstenaar Sam Drukker. Op het schilderij is haar moeder Antonia Martina Jeronimus-de Kok (geb. 1895) afgebeeld in Zuid-Bevelandse klederdracht.

Foto: Cathrien Jeronimus bij de overhandiging van het schilder (foto PZC).

Gepubliceerd 2 juni 2026

Link Facebook


EEN AANDENKEN

Van Sandra Stoffels Clement ontvingen we in februari 2026 deze foto. Volgens haar is het een koffie- of theekan met een afbeelding uit Rilland. Sandra heeft gehoord dat deze kan als aandenken is uitgereikt aan de hulpverleners tijdens de Watersnoodramp.

We hebben de foto verspreid op Facebook met de vraag of er mensen zijn die deze kan herkennen en dit verhaal kunnen bevestigen. We ontvingen daar verschillende reacties op waarbij de afbeelding wordt herkend als het Stationskoffiehuis aan de Haltestraat in Rilland.

Niemand kon het verhaal bevestigen dat het een aandenken was voor de hulpverleners tijdens de Watersnoodramp. Peter Suijkerbuijk schrijft dat zijn ouders van 1966 tot 1977 daar nog een café/restaurant hebben gehad. Kees Colpaart zegt dat dit het geboortehuis van zijn opa is, die daar op 3 januari 1900 is geboren. Karina Polderman schrijft dat haar vader ook in de Haltestraat is geboren en als 11-jarig kind de Watersnoodramp heeft meegemaakt. Helaas herkent niemand het verhaal achter deze koffie- of theekan. Als er lezers zijn die iets meer kunnen zeggen over deze kan, dan horen we het graag.

Op deze oproep werden geen reacties ontvangen.

Gepubliceerd 16 juni 2026

Link Facebook