Winter 2026 Deel 2
Winter 2026 Deel 2

JEUGD EN MUZIEK AFDELING GOES
Piet Capello vond in zijn verzameling een krantebericht uit het Zeeuwsch Dagblad van 22 februari 1962 en duikt in zijn herinneringen van zijn vorming in de klassieke muziek, die begon op de Rooms-Katholieke hbs in zijn geboorteplaats Goes.
In Middelburg bestond er reeds een afdeling van J&M om de middelbare schooljeugd aan te sporen tot het beleven, kennismaken en proeven van verschillende muzieksoorten. Klassiek, maar ook Jazz. Het was een landelijke organisatie die in de Randstad inmiddels vele afdelingen had. Er kwam ook een enthousiasmerende man helemaal uit de hoofdstad, die daar een bekende figuur bleek te zijn. Ik herinner ook een door hem gegeven lezing over jazz en blues, wellicht als inleiding op een te geven concert door een nog piepjonge Louis van Dijk (piano), Carl Schulze (vibrafoon) en Koos Engels ? (drums) en contrabas? : het Carl Schulze Quartet, in de kantine van de Ambachtschool.
Daar vonden meer lezingen plaats, bijvoorbeeld over gregoriaanse muziek, geïllustreerd door enkele baardig kelende koorschoolknapen (waaronder ikzelf) onder leiding van de heer Heijblok. Een sequentia Victimae paschali laudes, vanwege de handeling, een Alleluia van Pasen met veel versieringen etc. voor een publiek van voornamelijk christelijke jongeren van de andere middelbare scholen, want de oecumene was in opkomst. Ook een voorstelling van een Mozart-opera, Bastien und Bastienne (?)door het fameuze poppentheater van Brugman.
Uit Middelburg was er de heer Bergman, muziekdocent aldaar, die ons mee wilde nemen op een excursie met de Middelburgse afdeling per bus naar Brussel om daar in de Muntschouwburg een opvoering van Die Zauberflöte bij te wonen. We kregen een uitgebreide inleiding. Ik was wel benieuwd naar dit geheel. Kende al vele jaren het duet "Das klinget so herrlich, das klinget so schön" van Papageno en wilde nu wel eens weten wat dat met die opera van doen had. Kende nog wel van de zondagse radio een somber mannenkoor dat zong van "In dieser heiligen Halle kennt mann die Rache nicht", dus dat voorspelde een en ander.
Tot onze grote teleurstelling ging die excursie niet door omdat de bewuste voorstelling "door de loge was uitverkocht". Welke 'loge' was me niet duidelijk, dacht aan de bakjes rondom in een theater en je had toch ook zaalplaatsen? Of staanplaatsen desnoods. Sinds de Tweede Wereldoorlog waren er van roomse wege geen aanvallen meer op de Vrijmetselarij gericht geweest, en wat die inhield kwam niet aan bot in de toch wel vrijzinnige godsdienstlessen op de RKHBS. Om het goed te maken gingen we, later in het seizoen In Brussel in La Monnaie naar een andere Mozart-opera: "Cosi fan tutte". Enigszins bekend als "Koosje van Tutte" in de volksmond, maar niemand kon daaruit iets zelfs maar neuriën met gesloten mond.
We zaten in afgehuurde loges, zoveel was zeker en de voorstelling was bijzonder, met een Spaanse diva Pilar Lorengar. In de pauze, tussen het Waalssprekende mondaine volk in de foyer, merkte ik dat een glas, met water aangemengde jus d'orange voor een stevig aantal franken werd geschonken en het kostbare programmablad met foto's gekocht, altijd bewaard (?) bleef. Later, luisterend naar het prachtige trio 'Soave sia el vento' probeer ik vanaf dat balkonnetje verder te duiken in de herinnering aan die voorstelling, vage beelden. Wellicht kom ik daar in dromen langs?
Gepubliceerd 11 maart 2026

DE AANRANDING VAN KAATJE
In de Zeeuwse Familiepraet, het blad van het Genealogisch Centrum Zeeland van december 2025, stond dit verhaal van Piet Weststrate. Het gaat over de aanranding van Kaatje Weststrate door Willem Mange en Pieter Brouwer op zondag 3 juni 1810 te Goes.
Catarina (Kaatje) wordt geboren op 29 juli 1787 te Kruiningen. Haar ouders zijn Anthonie Matthijsz. Weststrate, schepen van Kruiningen en Elisabeth Jans de Spelder. Op 3 mei 1804 komt ze vanuit Nisse naar Kloetinge en werkt als dienstmeisje bij Mr. C. van Erlach Le Motthe. Hij is president van de rechtbank en schepen te Goes.
Op zondag 3 juni 1810 even na half acht in de avond, komt Kaatje, 23 jaar oud, vergezeld van Cornelia (Keetje) de Gie, 21 jaar oud, vanuit Goes aan bij de leerlooierij van Gerard Bakker gelegen aan het einde van het voorland van Goes. Hier ontmoeten ze Willem Mange, 19 jaar oud, van beroep wijnkopersknecht, en Pieter Brouwer, 18 jaar oud, van beroep schaapsherder. Beiden komen uit de herberg de Meermin te Goes.
Één van hun spreekt wat onduidelijk tegen Keetje die antwoordt: “ik heb met jullie geen affaires”, waarna Keetje afscheid neemt van Kaatje. En zegt: “Kaatje als gij in de stad komt moet gij vast bij ons komen”, waarop zij nadat Kaatje dit beloofd heeft terugkeert naar de stad. Kaatje vervolgt haar weg door het Vogelzangsewegje naar Kloetinge en wordt gevolgd door Willem en Pieter die enigszins door drank bevangen zijn.
Als Kaatje bij het Hooge pad komt en zij wil het Weegje richting Kloetinge inslaan, willen Willem en Pieter dat zij het Hoogepad volgt. Kaatje wil dit niet en wordt door Willem vastgegrepen en op de grond geworpen en haar rokken worden boven haar hoofd gelegd en Willem gaat op haar liggen. Kaatje is het eerste moment hevig ontroerd, maar spreekt weldra in grote gramschap en al worstelend tegen Willem: “nee jongen dat zal niet gebeuren, gij moet niet denken dat gij een lomp boeren meisje voor hebt” waarop Willem en Pieter antwoorden: “dat zal wel gebeuren, wij geloven wel baas over u te zijn”.
Kaatje probeert zich een aantal malen los te rukken maar wordt door Willem telkens op de grond geworpen en door beiden geschopt en geslagen, waardoor zij hevig gekneusd en bezeerd werdt. Willem heeft zich inmiddels ontbloot met de intentie om Kaatje te violeren (verkrachten) en met haar vleselijk te converseren (gemeenschap) waarbij hij zegt: “ik zal het evenwel wel gedaan krijgen” Kaatje antwoordt hierop: “gij zult het niet gedaan krijgen” waarop Willem antwoordt: “ik zal u vermoorden als gij het niet toestaan wil”.
Willem grijpt Kaatje bij haar keel en duwt een vinger in haar mond waarop Kaatje zo hard heeft gebeten dat Willem het uitschreeuwde en Kaatje enkele slagen op haar hoofd heeft gegeven waardoor ze sterk uit haar hoofd, neus en mond bloedde. Willem en Pieter hebben haar nog meermalen geschopt en geslagen, waarbij zij enige ogenblikken buiten bewustzijn is geraakt. Na omtrent een half uur geworsteld te hebben, heeft Willem haar uiteindelijk zonder zijne lusten op haar gebotvierd te hebben op de gedachte dat hij iemand zag aankomen heeft losgelaten, na haar alvorens nog enige schoppen en stoten toegebracht te hebben en Pieter haar enige slagen in haar gezicht gegeven heeft zich kon losmaken en op kon staan. Willem en Pieter zijn de weg naar de stad ingeslagen en Kaatje is hun achter op gegaan met het oogmerk om de hoge Baljuw van het gebeuren te informeren.
Doch toen zij merkte dat de jongens terugkwamen, is zij uit vrees om opnieuw geattaqueerd (onder handen genomen worden) te worden teruggekeerd naar Kloetinge, waar ze omstreeks acht uur is aangekomen. De dag erna op 4 juni wordt Kaatje geëxamineerd (getest) en gevisiteerd (onderzocht) door de heer Alexander Walker, gepatenteerd en geadmitteerd chirurgijn en vroedmeester te Kloetinge. Op 27 juni wordt er een rapportage gemaakt voor justitie door Jan Dominicus Jz., openbaar notaris te Goes in aanwezigheid van de weledele gestrenge heer Willem van Sitters, fungerend hoog baljuw over het platteland van Zuid- en Noord-Beveland, Oostbeveland en Wolphaartsdijk, naar aanleiding van de verklaring van Kaatje. Hierin is ook een verklaring opgenomen van de chirurgijn Alexander Walker, die Kaatje onderzocht heeft en een nauwkeurige opsomming geeft van alle wonden, kneuzingen, schaafwonden en blauwe plekken die zij op haar lichaam heeft. Als getuigen zijn aanwezig Pieter Weststrate en Dignus Dominicus Jaczn.
Op 14 juli wordt door Cornelia de Gie (Keetje) een getuigenverklaring afgelegd bij dezelfde notaris. Op 10 augustus worden de gevangenen Willem Mange en Pieter Brouwer voorgeleid voor de Hooge Vierschaar en met name de weledele gestrenge heer Willem van Sitters. Door hun eigen bekentenis is bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan de misdaad om Kaatje Weststrate door geweld en dwang en tegen haar wil tot vleeschelijke gemeenschap te plegen.
Het vonnis wordt geveld op een schavot opgericht voor het stadhuis alhier (Goes), waarbij de criminelen worden overgeleverd in de handen van de scherprechter (beul) ten einde daar aan een paal gebonden te worden en streng met roeden te worden gegeseld en gebrandmerkt met het brandteken van de stad. Dit brandmerk werd op de schouder, rug of bovenarm aangebracht.
Voorts geconfineerd voor den tijd van twintig achtereenvolgende jaren in een tuchthuis om aldaar in een der gewone vertrekken, gedurende die tijd met zijn handenarbeid hun kost te verdienen. Na die tijd worden zij voor het leven verbannen uit het departement Zeeland. Zij moeten ook alle kosten van het proces betalen. De inhoud van het procesverbaal is grotendeels gelijk aan het rapport dat is opgemaakt door notaris Jan Dominicus naar de verklaring en getuigenis van Kaatje en Keetje.
En hoe ging het verder met deze mensen? Twee jaar later trouwt Catarina (Kaatje) op 25 jarige leeftijd op 28 november 1812 te Kloetinge met Pieter Kam, van beroep smid, 27 jaar oud. Zij overlijdt op 4 augustus 1823 te Biggekerke op 36 jarige leeftijd.
De veroordeelde Willem Mange, trouwt op 23 juni 1814 op 23-jarige leeftijd te Goes met met de 51-jarige Susanna Coppejan, van beroep arbeidster. Op 5 augustus 1823 overlijdt Susanna te Nieuwvliet op 60 jarige leeftijd. Op 31 augustus 1824 hertrouwt Willem, dan 33 jaar oud, van beroep zeewerker, te Nieuwvliet met de 32-jarige Maria Johanna Maillie, van beroep dienstmeid. Op 19 december 1871 overlijdt Maria op 79 jarige leeftijd te Cadzand. Willem is dan veehouder. Op 5 juli 1872 overlijdt Willem op 81 jarige leeftijd te Cadzand.
Mede-dader Pieter Brouwer, trouwt op donderdag 23 juni 1814 op 21-jarige leeftijd te Goes met de 18-jarige Susanna Vergouwe.
Het Hoge Pad te Kloetinge bestaat nog steeds. Via dit paadje kon men vroeger binnendoor naar Goes lopen. Het was een echt smal kerkenpaadje, niet meer dan enkele decimeters breed, amper verhard (alleen met wat schelpen) en het liep langs en door enkele hollebollige weitjes. Het paadje is echter meer dan alleen een kerkenpaadje. Het pad stamt oorspronkelijk uit 1135 (!) en is toen aangelegd als lage dijk tussen ’s-Heer Arendskerke en Kloetinge, waar het pad dwars door de ring van het dorp naar Kapelle liep, met een aftakking naar Wemeldinge. Op oude kaarten is het tracé nog goed herkenbaar, maar van het originele pad was niet veel meer terug te vinden. Het gedeelte dat nu bij Kloetinge nog bestaat wordt onderhouden door vrijwilligers van Stichting Landschapsbeheer Zeeland.
Gepubliceerd 13 maart 2026

EEN HISTORISCHE LOCATIE
Op de ‘Facebookpagine Noord-Beveland Terugkieke’ stond een foto van deze school in Kortgene met de tekst “Deze Oude school aan de Wilhelminastraat in Kortgene maakt plaats voor nieuwbouw Woningen. De sloop is inmiddels begonnen. Als de info klopt stond op deze plek voor dat de school er kwam een boerderij. Weet iemand hier wat meer van?”
Daarop kwamen verschillende reacties. Eric Pierens schrijft dat hier vroeger een pakhuis met schuur stond van de familie Gunst, handelaren in granen, zaden en kunstmest. Het was geen boerderij maar een schuur van het pakhuis en diende voor opslag vóór distributie.
Het gebied lag destijds aan de rand van de bebouwde kom, met tuinen, boomgaarden en weilanden. Toen er in de jaren vijftig van de vorige eeuw plannen kwamen voor een nieuwe lagere school en U.L.O., was dit voormalige landbouw- en opslagterrein een logische uitbreidingsplek voor het Kortgene.
Op de historische kaarten rond 1860 is te zien dat de bebouwing van Kortgene destijds ophield bij de Weststraat en de Hoofdstraat. Er stonden voor 1900 nog geen rijen woningen. De Wilhelminastraat werd pas na de watersnoodramp van 1953 een belangrijke as voor woningbouw en openbare voorzieningen zoals de school.
In de tijd dat het pakhuis van de familie Gunst volop in bedrijf was, werd op de vlakbij gelegen weegbrug van Kortgene o.a. granen of suikerbieten gewogen die van en naar het pakhuis of de haven gebracht werden. Handelaren en boeren moesten eerst via de weegbrug om het gewicht van hun vracht te laten bepalen. De voorouders van Eric Pierens, o.a. Jacob Wolse, bediende de weegbrug.
Lina Oudshoorn meldt dat er daarvoor een pompgemaal op die locatie heeft gestaan. De naam van het dorpshuis De Pompweie herinnert daar nog aan. Adri-Jan van der Velden hoorde nog dat er op deze locatie ook een boerderij met de Kallewaard heeft gestaan.
Eric Pierens meldt dat dit klopt. Hij schrijft: “Van ‘vader Kallewaard’ (Adriaan of zoon Cornelis) is in de lokale historie van Kortgene bekend dat hij de drijvende kracht was achter de boerderij aan de Weststraat, die destijds een van de bepalende agrarische bedrijven in de dorpskern was. De familie Kallewaard woonde en werkte op de boerderij in de Weststraat (nabij de huidige nummers 10-14). Hun erf grensde direct aan de landerijen die zij pachtten van de Ambachtsheerlijkheid.
Vader Kallewaard was de belangrijkste pachter van de zogenaamde ‘tuinen en boomgaarden’ die zich uitstrekten achter de Weststraat. Dit is precies het gebied waar in de jaren vijftig de Wilhelminastraat en de scholen werden aangelegd.”
De famie Kallewaard waren ook pachters van de grote landerijen van de Ambachtsheerlijkheid die grensden aan de dorpskern van Kortgene. De familie Gunst uit Kortgene pachtte hun landerijen en opslagterreinen (waaronder de locatie achter de latere Wilhelminastraat) grotendeels ook van de Ambachtsheerlijkheid Kortgene. De pachter van de landbouwgrond, waar de familie Gunst zich richtte op de handel (pakhuis, kunstmest, granen), was de familie Kallewaard de voornaamste agrarische gebruiker (pachter) van de omliggende gronden van Baron Mulert. Deze baron kwam uit een oud adelijk geslacht uit Overijssel dat ook bezittingen had in Kortgene.
Volgens Eric Pierens bestond er een functionele relatie met de familie Gunst. Waar Kallewaard zich richtte op de productie van granen en suikerbieten, verzorgde Gunst de opslag en handel. Het pakhuis van Gunst stond feitelijk op de grens van de percelen die Kallewaard in gebruik had. Jacob Adriaan baron Mulert (1778–1852) was de Ambachtsheer van Kortgene en daarmee de eigenaar van de gronden die door de familie Gunst werden gepacht. Als Ambachtsheer bezat hij de ‘heerlijke rechten’ en uitgestrekte landerijen in de Stadspolder en rond de dorpskern van Kortgene. De percelen achter de Weststraat, waar later de Wilhelminastraat en de school kwamen, behoorden tot zijn domein. De familie Gunst, als handelaren, pachtte deze gronden van Mulert voor hun bedrijfsactiviteiten. Omdat Mulert zelf in Leiden verbleef, liet hij het beheer van de pachtovereenkomsten vaak over aan lokale rentmeesters zoals Kallewaart. Hoewel het kadaster van 1832 de Ambachtsheerlijkheid Kortgene als eigenaar noteert, laat later zien dat de familie Gunst de gebruiksrechten had.
Marinus Verwei meldt nog dat de boerderij van Kallewaard ‘De Korenschoof’ heette. De schuur, het laatste restant van die boerderij, is tijdens de Watersnoodramp in 1953 bezweken.
Op de website Noord-Beveland Dronk vinden we nog informatie over De Pompweie: “dorpshuis de Pompweie was van 1978 tot heden gevestigd aan de Bernhardstraat 2a te Kortgene. In 1978 openen Wim en Wilma Oudshoorn Dorpshuis de Pompweie aan de Bernhardstraat 2a in Kortgene. Later komen dochter Linda Oudshoorn en partner Ralph Stroes in het het dorpshuis en zij zaten in 2015 nog steeds in Dorpshuis de Pompweie.” In de PZC van 30 maart 2023 lezen we dat de ‘oude Zuidvlietschool en het voormalige dorpshuis’plaats moeten maken voor 32 appartementen. Sinds 2017 stonden deze gebouwen al leeg. Beiden zijn toen verhuisd naar de nieuwbouw van het MFC De Stadweide. Volgens wethouder Adrie van der Maas bestanden er al sinds 2019 plannen voor starterswoningen en ouderenhuisvesting. Daarvoor moest eerst het bestemmingsplan gewijzigd worden, waardoor men dan nu - anno 2026 - met de sloop- en bouwwerkzaamheden kan beginnen.
Foto 1: Het te slopen schoolgebouw.
Foto 2: De boerderij in 1926.
