Winter 2026 Deel 1

ttps://www.hkdebevelanden.nl/uploads/files/Het%20verhaal/00%20Winter%202026.pdf

 

DE BLIJE VERLOOFDE

In de Nieuwsbrief van december 2025 van de Vrienden van het Historisch Museum de Bevelanden (een vereniging waar je lid van kunt worden) lazen we over de schenking van het schilderij De Blije Verloofde door Otto Kirberg (1850-1925). Eén van de Duitse schilders die in het begin van de vorige eeuw veel schilderde in de Nederlandse vissersdorpen. In de expositie ‘Mooi Bevelands Goed’ is dit schilderij te bewonderen.

Het is in 1879 gemaakt door Kirberg tijdens een lange reis door Nederland. Hij werd geïnspireerd door de meesters van de Gouden-Eeuw en door het schilderachtige Nederlandse platteland. Vanaf die tijd schilderde hij vooral scenes met figuren in een interieur. Op dit schilderij zien we hoe een Walcherse vrouw wordt aangekleed. Gezien de titel mogen we aannemen dat dit de blije verloofde is. Ze is omringd door drie vrouwen. Waarschijnlijk is de kleedster haar moeder en kijken twee zussen toe. Op een stoel wacht haar aanstaande geduldig af. De staande man met een pijp is wellicht haar vader. De vader is opmerkelijk gekleed met zijn rode jas en breedgerande hoed. Ook met zijn kortgeknipte haren past zijn kleding niet bij de Zeeuwse klederdracht. Ook de moeder heeft een bijzondere muts op, namelijk een Hollandse hul. Maar voor de rest is het gezelschap op z’n Zeeuws gekleed. De verloofde en haar zussen dragen Walcherse streekdracht. De oudste zus heeft een Walcherse kaphoed op met achterlinten maar zonder keellinten. Het jongste zusje draagt een vroeg model van een staertmusse. De jongeman op vrijersvoeten draagt zijn beste pak. Zijn hoed en kleding geven aan dat hij afkomstig is uit Zuid-Beveland. Deze ondernemende jongeman heeft zijn geluk op een ander eiland gezocht. Het gebeuren speelt zich af in een achterkamer met links een bed en rechts een wandklok. In het midden zien we een doorlijkje naar de woonkamer.

Het schilderij heeft een ondersteunende rol in de expositie ‘Mooi Bevelands Goed’. Het hangt bij een tafereel waar een boerin in vier stadia zich aan het aankleden is. Zo kan de bezoeker zien hoeveel lagen een Zuid-Bevelandse boerin onder haar bovenkleding droeg.Het schilderij met de verloofde die aangekleed wordt geeft de bezoeker een beeld hoe dat gebeurt. Wie er meehelpt en hoe een huis er van binnen uitziet. Nu er nog maar heel weinig bezoekers zijn die de klederdracht in het echt hebben gezien, is het best moeilijk om een beeld te vormen van hoe men in de dracht leefde. Door schilderijen toe te voegen aan de historische kostuums kunnen we de fantasie van de bezoeker prikkelen een voorstelling te maken van hoe de mensen vroeger leefden in deze museaal bewaarde kledingstukken. Geen poppen maar echte mensen droegen deze kleding! Voor het museum een waardevolle aanwinst omdat het één van de weinige schilderijen is met een Bevelands interieur.

Foto: Schilderij ‘De Blije Verloofde’ van de Duitse schilder Otto Kirberg (1850-1925)

Gepubliceerd 6 januari 2026

Link Facebook

Reactie Jankees Goud: Kirberg maakt op dit schilderij vrijelijk en ruim gebruik van zijn artistieke vrijheid. De blije verloofde draagt een Walchers mutsje en denkelijk ook Walcherse krullen met strikken. De vrouw achter haar die haar helpt aankleden draagt een enigszins oud Volendams aandoende Hollandse hul. Het kind heeft een Walchers meisjesmutsje op en de zittende vrouw links lijkt ook krullen te dragen en een Arnemuidse kaphoed. De staande man met het rode vest doet niet heel Zeeuws aan. Hoewel een zeer aantrekkelijk schilderij zijn er wat mij betreft dan wel vraagtekens te plaatsen bij hoe Bevelands het interieur op het schilderij dan is.


 

DE GEMEENTEARCHIVARIS, EEN UITSTERVEND BEROEP

Ooit was de gemeentearchivaris een eerbiedwaardig persoon. Het was de drager van de geschiedenis van stad en dorp. Los van de hiërarchie van de gemeentelijke organisatie liet hij of zij van zich horen. De taak van de gemeentearchivaris was verankerd in de Archiefwet van 1918. In de negentiende eeuw ontstonden er wel archiefinstellingen en de beroepsgroep van archivarissen, maar de functie was nog niet wettelijk vastgelegd voor gemeentearchivarissen. De Archiefwet zorgde voor de wettelijke basis van de archiefzorg, inclusief het beheer en de openbaarheid van archieven.

Deze eerste Nederlandse Archiefwet werd in 1918 ingevoerd om overheidsinformatie systematisch te bewaren en openbaar te maken, zodat het beschikbaar bleef voor de overheid zelf, voor historisch onderzoek en voor burgers. Het doel was om de geschiedenis van Nederland vast te leggen en een basis te leggen voor verantwoording door de overheid, en om archieven als cultureel erfgoed te beschermen. De archieven werden daarmee erkend als een belangrijk onderdeel van het cultureel erfgoed van Nederland. Het belang van gemeentearchivarissen kwam ook tot uiting in de vele krantenberichten van een eeuw geleden. Benoeming, vertrek en overlijden van zo’n functionaris stond altijd in de krant en was een agendapunt in de gemeenteraad. Hierdoor is goed na te gaan wie er in de loop der tijd gemeentearchivaris was.

Voor 1918 hadden grote steden en provincies archiefbewaarplaatsen. Dat gebeurde in het kader van het Nationaal Archief voor de Rijksoverheid. De Archiefwet van 1918 regelde de archieven van het Rijk en gemeenten, waardoor er een formele structuur kwam voor het bewaren van archieven. Sommige gemeenten hadden al langer een archivaris en een bewaarplaats, terwijl andere, die dat niet hadden, hun archieven via andere regelingen, bijvoorbeeld via wees- en momboirkamers (voogdijorganisaties) moesten beheren. Na 1918 werd dit wettelijk verankerd en gestructureerd via de oprichting van Regionaal Historische Centra en gemeentelijke archiefdiensten.

In 1962 kwam er een nieuwe Archiefwet, welke inmiddels vervangen is door de Archiefwet 1995. En inmiddels is er al weer een nieuwe archiefwet in voorbereiding. Steeds meer gemeenten hebben geen eigen gemeentearchivaris meer in dienst. Ze hebben hun archieftaak uitbesteed. In Zeeland hebben veel gemeenten die taak uitbesteed aan het Zeeuws Archief in Middelburg.

De gemeente Goes heeft nog steeds een gemeentelijk archief. Het behoort tot één van de oudste archieven waarvan sommige stukken dateren van omstreeks 1400. Tot voor kort had de gemeente Goes nog wel een eigen gemeentearchivaris in dienst. Met het vertrek per 1 december 2025 van Mirjam Louisse is de laatste gemeentearchivaris vertrokken. Frank de Klerk, ‘de archivist’, is begin januari 2026 met pensioen gegaan. Met hun vertrek is er veel kennis en ervaring op historisch gebied van Goes vertrokken.

De tijd dat archivarissen zelfstandig artikelen publiceerden en lezingen hielden over de lokale historie is hiermee misschien wel verdwenen. Het behoort niet meer tot hun kerntaak. Die taak is het systematisch ordenen en beheren van het archief van de gemeentelijke organisatie. Je kunt de vraag stellen of het beheren van archieven van maatschappelijke organisaties daar nog wel bijhoort.

Wie waren deze gemeentearchivarissen van Goes? We stellen de vraag op internet, en AI geeft dit antwoord: “Hoewel specifieke namen van alle gemeentearchivarissen in Goes niet direct uit de zoekresultaten komen, weten we dat H. Uil een belangrijke archivaris was die een inventaris maakte van het archief van de Stad Goes, en later gemeentearchivaris van SchouwenDuiveland werd, en dat het archiefmateriaal zoals de oude Weeskamerarchieven door M. Slabber en J. Pilaar in 1811 geïnventariseerd werden, wat wijst op vroege archiefwerkers, maar de namen van latere archivarissen zijn niet direct genoemd.”

Om te weten wie die archivarissen van de gemeente Goes waren gaan we op onderzoek in KrantenbankZeeland. Zo komen we aan een lijst van archivarissen van de gemeente Goes. Vaak was het een bijbaantje van de plaatselijke dominee of een docent, soms zelfs zonder vergoeding.

De eerste archivaris in Goes was mr. Johannes Gerardus ab Utrecht Dresselhuis (1826-1853). Hij vestigde zich op 7 juni 1852 in Goes als advocaat. Hij was de zoon van dominee Dresselhuis (1789-1861) uit Wolphaartsdijk. In 1852 bood deze advocaat zich aan om zonder beloning gemeentearchivaris te worden. Een aanbod dat door het gemeentebestuur werd aanvaard. Een jaar later in 1853 overleed hij al.

Het werk van archivaris werd overgenomen door zijn vriend, dominee dr. Rixtinus Arnoldus Soetbrood Piccardt (1814-1888). Op 1 april 1888 wordt Piccardt op eigen verzoek ontslag verleend. Formeel wegens verhuizing naar Den Haag. Hij is dan al 74 jaar en kampt met gezondheisproblemen. Een half jaar later overlijdt hij in Den Haag.

De gemeente Goes gaat op zoek naar een nieuwe gemeentearchivaris. Dat is nog niet eenvoudg. De vergoeding is minimaal. Eigenlijk wordt het meer gezien als een ‘erebaan’. Maar op 5 september 1888 heeft men toch iemand gevonden. Mr. N. C. H. van Daalen Wetters, griffier bij het kantongerecht te Goes is de kandidaat. De gemeenteraad gaat akkoord, maar er is een voorbehoud. De benoeming kan alleen aanvaard worden als ‘Z.M. den koning’ toestemming geeft. Een maand later komt het bericht dat die toestemming geweigerd wordt waardoor de benoeming niet doorgaat.

Blijkbaar krijgt Van Daalen Wetters wel het toezicht over het gemeentearchief, ongetwijfeld zonder bezoldiging, want op 20 februari 1892 lezen we dat hij ontheven is van dat toezicht. Vier jaar na het overlijden van Piccard wordt M.G. den Boer, leraar aan de plaatselijke hbs, tot gemeentearchivaris benoemd. Een jaar later vertrekt hij al weer. Op 1 oktober 1893 wordt hij opgevolgd door F. Allan, ook een leraar, die ‘elken vrijdag des namiddags van 1 tot 2 uren voor belangstellenden op het Raadhuis te spreken zal zijn’

Ondertussen blijft de bezoldiging een groot probleem. De Goese gemeentesecretaris H.G. Hartman (1831-1894) geniet landelijke bekendheid. Het door hem gestarte Tijdschrift Administratief Recht geldt nog steeds als een standaardwerk. Hij bepleit in 1893 dat de gemeenstearchivaris eigenlijk een taak moet zijn van de rijksoverheid, die ook zou moeten zorgen voor een goede bezoldiging. Ook vindt hij dat niet iedere gemeente een archivaris zou moeten hebben. Gemeenten kunnen ook samenwerken en gezamenlijk een archivaris in dienst nemen. Dit zou pas jaren later gerealiseerd worden.

Ook Allan vertrekt al snel. In 1896 wordt hij opgevolgd door L. van Bruggen, ook een leraar van de hbs, die in 1911 directeur wordt van deze school. Hij blijft gemeentearchivaris tot aan zijn overlijden in 1918. Als opvolger wordt Jac. de Kruijter - tot dat moment adjunct - tot gemeentearchivaris van Goes benoemd. Hij zal dit voor langere tijd blijven. Vanaf 1928 komen we berichten tegen dat zijn benoeming steeds voor een jaar wordt verlengd omdat hij ouder dan 65 jaar is. In 1931 bereikt hij de ontslagplichtigen leeftijd van 70 jaar. De gemeenteraad besluit hem dan tot adviseur aan te stellen met behoud van het salaris van archivaris.

In 1935 besluit de gemeenteraad van Goes de vacature voor gemeentearchivaris open te stellen omdat het dan verplicht is om alleen gediplomeerde archivarissen aan te stellen. Men besluit de vacature open te stellen samen met de gemeente Hulst. Een samenwerking die door Hartman al in 1893 werd bepleit. De nieuwe archivaris zal in Goes gaan wonen, waar hij ook de meeste tijd zal werken, zodat deze gemeente ook het meeste zal betalen.

Toch duurt het nog twee jaar voor er daadwerkelijk een nieuwe gemeentearchivaris wordt benoemd. In 1936 wordt besloten tot het verstrekken van een krediet voor de inrichting van een werkvertrek voor de gemeentearchivaris. In 1937 wordt ‘mejuffrouw S. van Zanten Jut’ tot gemeentearchivaris van Goes en Hulst benoemd. Toch blijft de ‘jaarwedde’ voor de gemeentearchivaris de gemoederen beroeren. In 1938 was de gemeenteraad bijgeroepen om de begroting voor 1939 vast te stellen. Het was op ‘Dankdag voor het Gewas’ (woensdag 2 november 1938). Het christelijk historische dagblad De Zeeuw noemde het zelfs een novum. Ook de jaarwedde van de gemeentearchivaris werd besproken. Bij de benoeming van Van Zanten Jut was haar een verhoging van het salaris in het vooruitzcht gesteld. De bedoeling was dat ze voor drie gemeenten zou werken: Goes, Zierikzee en Hulst. Iedere gemeente zou 750 gulden betalen. Zierikzee benoemde echter een eigen archivaris. Nu moest het salaris door Goes en Hulst opgebracht worden. Daarnaast was de archivaris veel tijd kwijt aan de lange reistijden. De gemeenteraad slikte met tegenzin een voorstel tot verhoging.

Tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 komen we weinig berichten tegen over de Zeeuwse archivarissen. In 1947 wordt G. Staderman, adjunct-commies bij de provincie, in Goes benoemt tot gemeentearchivaris. Hij houdt deze functie tot 1965. Van hem verschijnen publicaties en hij houdt lezingen. In 1964 neemt de gemeenteraad het besluit om te verhuizen naar een grotere archiefruimte. Die ruimte komt in de leeggekomen prof. dr. Kohnstammschool aan de Beestenmarkt.

In 1965 wordt mej. A.J. van Heiningen uit Goes benoemd als nieuwe gemeentearchivaris. Zij vervult deze functie gedurende vijf jaar, want in 1970 wordt L.J. Abelmann (1931-2002) als haar opvolger benoemd. De reden is een reorganisatie bij de gemeente Goes, waarbij een groot aantal nieuwe leidingevende ambtenaren worden benoemd. Met de komst van Abelmann krijgt de gemeente voor het eerst een volwaardige archivaris met ruime bevoegdheden. Tevens wordt hij conservator van het plaatselijk museum.

Op 1 mei 1990 gaat Abelmann met vervroegd pensioen. In de PZC van 23 maart 1990 verschijnt een interview met als kop ‘Archief geheugen van een stad’. Zijn functie wordt door twee mensen overgenomen. A. Barth wordt gemeentearchivaris en F. de Klerk wordt directeur van het museum. Hij is blij met zijn opvolgers want ‘ze zijn hier in huis opgeleid’. Per 1 oktober 2009 treedt Barth terug als gemeentearchivaris en blijft hij nog voor 20 uur per week onderzoek doen.

In de PZC van 16 oktober 2009 lezen we dat Mirjam Louisse de nieuwe gemeentearchivaris van Goes is. De tijd dat de komst of het vertrek van een gemeentearchivaris nieuws voor de krant was is voorbij. Naast Louisse wordt in de media vaak Frank de Klerk genoemd als archivaris. Hij is meer de schrijver van publicaties en spreker op lezingen en heeft als functie ‘archivist’. Per 1 december 2025 vertrekt Mirjam Louisse bij de gemeente Goes en begin januari 2026 is Frank de Klerk met pensioen gegaan. In navolging van vele gemeenten is Goes nu ook het archivarisloze tijdvak ingegaan. De geschiedenis zal later moeten beoordelen of dit een juiste keuze is geweest.

Foto: archivaris dr. Rixtinus Arnoldus Soetbrood Piccardt (1814-1888)

Gepubliceerd 10 januari 2026

Link Facebook


 

 

HIPPISCH FESTIJN

Het Historisch Museum de Bevelanden in Goes heeft het schilderij ‘Hippisch festijn in Goes’ van de kunstschilder Arend Hijner (1866-1916) in bruikleen gekregen. In de Nieuwsbrief van december 2025 schrijft museumdirecteur Joost van Es: “Het is mogelijk dat dit schilderij aan de aandacht van onze trouwste bezoekers is ontsnapt. Dat zou erg jammer zijn want het schilderijtje belicht een vergeten gebeurtenis uit de geschiedenis van Goes.”

Het is opgenomen in de ‘Blinken en Verzinken expositie’ op de eerste verdieping. Het werk was getiteld “Paardenmarkt in Zeeland”, maar of dat juist is, valt te betwijfelen. In tegenstelling tot de meeste schilders van zijn tijd ging Arend Hijner niet in Domburg of Veere werken. Tussen 1895 en 1900 schilderde hij in Wemeldinge bij Goes waar hij een tweede huis bezat. Zo werd hij een van de weinige schilders die het dagelijks leven van Zuid-Beveland schilderde. Zijn impressionistische ‘plein-air’ schetsen en schilderijen ademen levensvreugde door hun directheid en kleurige palet.

Als leerling van de academie van Antwerpen had de kunstenaar al vroeg geleerd om fellere kleuren in zijn werk te brengen dan zijn Hollandse tijdgenoten. Het schilderij lijkt op diverse plaatsen in een schetsmatige opzet te zijn gestold. Hierdoor lijkt het onderwerp van het schilderij een gebeurtenis af te beelden die meer dynamisch is dan een rustige paardenmarkt.

Volgens het Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1880 van Pieter A. Scheen is Hijner op 18 september 1866 in Arnhem geboren en op 3 juli 1916 in Den Haag overleden. Voordat hij van 1895 tot 1900 in Wemeldinge had gewoond en gewerkt woonde en werkte hij in Hilversum, Antwerpen, Best, Heeze (N.Br.), Deventer en Rotterdam. Na Wemeldinge vertrok hij naar Den Haag, in welke plaats hij overleed.

Hijner schilderde, tekende en etste figuurstukken, boereninterieurs, portretten, stillevens en landschappen. Hij was lid van 'Arti et Amicitiae' te Amsterdam, een vereniging van beeldende kunstenaars en kunstliefhebbers. Hij gaf les en exposeerde op tentoonstellingen. In zijn Wemeldingse tijd schilderde hij portretten van o.a. Zeeuwse meisjes, Zeeuwse boerenvrouwen en boereninterieurs.

We mogen aannemen dat het schilderij in Hijner’s Wemeldingse periode (1895-1900) geschilderd is. De drie meisjes in Zuid-Bevelandse klederdracht geven diverse aanwijzingen: dat het op Zuid-Beveland afspeelt, gezien de vlag van het middelste meisje is het een feest en geen paardenmarkt en het linker meisje is gekleed in een oranje doek en beuk en heeft een oranje schort om. De klederdracht werd meestal opgesierd met oranje wanneer het koningshuis iets te vieren heeft.

In 1898 werd prinses Wilhelmina op haar 18de ingehuldigd als koningin. Menig Bevelandse plaats vierde in september van 1898 inhuldigingsfeesten. Je zou verwachten dat er werd ringgereden, maar volgens de krant werd er bij geen van deze feesten ringgereden. De man in het blauw op het witte paard lijkt aan de toeschouwers voor bij te vliegen. Naast hem een rennend bruin paard met een witte jockey. Aan de kant staan de drie meisjes waarvan het rechter meisje een bruin paard aan het verzorgen is. Geheel rechts staat een gedrongen man met een strohoed op en een broek met twee Zuid-Bevelandse zilveren broekstukken en met een feestelijke kokarde op zijn borst. Op de achtergrond zijn slingers en tentachtige structuren te zien. Blijkbaar gaat het om wedstrijdrennen met paarden. Harddraverij, zoals men dat toen noemde, was erg populair in Friesland, maar in Zeeland nauwelijks gekend.Jonkheer H.F. de Jonge, J.Z. Risch en A.J. Hendrikse gingen daar op de tweede Pinksterdag verandering in brengen.

Op 30 mei 1898 werden er in Goes de Hippische Feesten georganiseerd. Even buiten de stad op het land van de heer A.J. Hendrikse met de naam ‘Klein Frankrijk’ konden boeren en burgers zich meten met harddraverij en ringrijden voor dames. Aan de harddraverij deden 10 ruiters mee en de zesjarige merrie ‘Fannij’ van dhr. G. Luijk uit Vlake won de eerste prijs van 50 gulden. De eerste prijs van 20 gulden bij het ringrijden werd gewonnen door dhr. M. Boogerd en zijn dochter uit ‘s-Heer Arendskerke. De prijzen werden uitgereikt in de Prins van Oranje waar het avondfeest werd gehouden. Na de officiële handelingen en lovende speeches sloot de harmonie Euphonia het feest af met een concert en een bal. Zo’n 2000 mensen hadden genoten van het feest en volgend jaar zou men het weer doen. Maar in 1899 liet de regen het tweede Hippische feest in het water vallen en smoorde zo de Zeeuwse harddraverij in de knop.

Foto: van het door Hijner gemaakte schilderij ‘Hippisch Festijn in Goes’.

Gepubliceerd 14 januari 2026

Link Facebook


DE MISSALEN VAN GOES

In het Gemeentearchief Goes liggen drie Koorboeken van de Grote of Maria Magdalenakerk te Goes. Het zijn zogenaamde missalen uit de tijd van voor de reformatie, toen het nog een roomskatholieke kerk was. In deze koorboeken staan de teksten van de gehouden missen en psalmen. Hoeveel er zijn geweest weten we niet, maar volgens Allie Barth, oudgemeentearchivaris van Goes, moeten er minstens twintig van dergelijke boeken geweest zijn. Dikke boeken, geschreven in het oud-Nederlandse schrift op perkament papier. Op dit moment liggen er drie exemplaren in de archiefkluis van de gemeente Goes. Waar de overige boeken zijn gebleven weten we niet. Het wordt niet uitgesloten dat er in de toekomst nog eens zo’n boek gevonden wordt. Of om Allie Barth te citeren: “Er wordt nergens zoveel gestolen als in archieven”. Vaak door personeel die soms vrij toegang heeft tot dergelijke ruimten. Men neemt even een boek mee, en het komt niet terug. In het verleden hield men dit niet zo goed bij. En bij bestuurders en opsporingsdiensten hadden dergelijke ‘vermissingen’ geen hoge prioriteit. Het ging ‘maar’ om wat oude papieren.

Zo’n missaal, ook wel een gebedsgetijdenboek genoemd is een ‘collecters item’ met een grote economische waarde. Hoeveel die waarde is weten we niet, maar soms duikt er nog eens één op in een tv-programma, zoals ‘Tussen kunst & kitsch’ in 2022. De herkomst blijft dan onduidelijk, maar waar zo’n boek dan getaxeerd wordt op het astronomische bedrag van minimaal honderdduizend euro: https://kro-ncrv.nl/getijdenboek-bij-tussen-kunst-en...

De gemeente Goes heeft het oudste archief in Zeeland. Voor een belangrijk deel komt dat omdat Goes altijd redelijk ongeschonden uit oorlogen en natuurrampen is gekomen.

In 2021 zijn de drie missalen uit Goes gerestaureerd. De PZC berichte toen op 10 december 2021 hierover. We citeren het artikel: “Onder meer het archief van de stad Goes, oude bevolkingsregisters, kadastrale leggers, missalen, zangboeken en prijsbanden - vaak al eeuwen oud - zijn aan een grondige opknapbeurt toe. ,,Het zijn allemaal heel oude documenten die het waard zijn om bewaard te worden voor het nageslacht’’, zegt wethouder André van der Reest. ,,Maar ze zijn het vooral ook waard om te tonen aan het publiek. We hebben zoveel moois, het is jammer dat we daar soms zo weinig mee doen.’’

Dat tonen aan het publiek moet volgens de wethouder wel heel voorzichtig gebeuren. ,,Ik zeg weleens: ‘als je er tegen blaast, loop je al het risico dat het verkorrelt.’ Dat is misschien wat overdreven, maar je snapt wat ik ermee bedoel.’’ Om die reden is het de bedoeling dat de archiefstukken vooral digitaal gaan worden getoond aan de Goesenaren. ,,Maar we zullen er zeker over nadenken of een aantal documenten ook een keer fysiek kan worden tentoongesteld’’, zegt Van der Reest. ,,Het idee om dat bijvoorbeeld in de Grote Kerk te doen, is wel heel mooi. Maar daar komt veel bij kijken, hoor. Zo moet het klimaat waarin de documenten worden getoond optimaal zijn.’’

Sinds kort zijn twee medewerkers bij het Gemeentearchief Goes vertrokken. Frank de Klerk en Mirjam Louisse. Zij waren de laatste medewerkers met een gedegen opleiding tot archivaris. Een dergelijke opleiding bestaat thans niet meer in Nederland. Erfgoed staat volop in de belangstelling, interesse is er onder de bevolking, maar het ordenen en systematisch bewaren van archiefstukken in niet iets waar een wethouder politiek mee kan scoren. De Heemkundige Kring De Bevelanden ziet het als haar taak om aandacht te vragen voor dat erfgoed.

Foto’s: de missalen van Goes.

Gepubliceerd 16 januari 2026

Link Facebook


DE BIJBELVERTALING VAN 1951

Fré Metselaar woont al jaren in Frankijk. Zijn jeugd bracht hij door in het Bevelandse Goes. Op Facebook schrijft hij regelmatig zijn herinneringen uit die tijd. Als domineeszoon bewaarde hij een brief van begin jaren vijftig van de vorige eeuw. Een boze christelijke Goesenaar was het niet eens over de bijbelvertaling van 1951 die de dominee hanteerde en schreef deze brief.

“Mijnheer, U bent een verleider. Een scheuringmaker een kind van de duivel. Zooals al uw medegenooten en pastoors. Slangen en addergebroedsel, zoals Jezus de fariezeérs en schriftgeleerden noemde, zoo ook zijn jullie. Nu kan u wel mooi preeken en praaten maar u blijft een duivelskind. De duivel heeft u gemaakt. Lees maar. Matth 13:39 zoo ook Johs. 8:38 is voor alle dominee's en pastoors van toepassing als mooie preeken is door de duivel dus uw vader ingegeven. Voor Gods volk is het vergif wat u predikt. U begint al met nieuwe vertalling dat is al duivels. Want er staat in Markus 16:6. hij is opgestaan, hij is hier niet. U schrijft. Hij is opgewekt. Markus 15:vr 6. Staat dat in Markus 15:6? Maar maakt u er maar een mooi Paasverhaal van. Kruip maar weg achter uw rookgordijn. U bent en blijft een Valse profeet, een antie Christen. Een ergernis zaaier, dat is de kerk Dominee en Priester.

Ziedaar Gods oordeel over de kerk van deze tijd. Indien het mogelijk ware zouden ze ook de uitverkorenen verleiden. Er deugd niets van u preek, daarom omdat u de nieuwe vertalling volgt. De wedergeboorte niet kent. En van een school en niet van God geleerd ben. Elk mensch die niet wedergeboren is, is Gek, krankzinnig van de duivel bezeten, dus u weet niet wat u preekt. Een leidsman der blinden. U zult beiden in de gracht vallen. Maar toch ook de blinden worden en zijn veroordeeld. Man schaam je, met dat achterlijke gepreek. En bekeert U. Want u ben een valsche profeet.”

De Bijbelvertaling 1951 was een Nederlandse vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap. Deze was bedoeld als een moderne opvolger van de Statenvertaling uit 1637. Het werd de standaardvertaling voor brede protestantse kerken, gekenmerkt door een taal die nog dicht bij de Statenvertaling stond, maar met modernere elementen en gebruikmakend van betere grondteksten. Deze werd uiteindelijk vervangen door de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) in 2004. Deze vertaling wordt nu in alle Nederlandse kerken gebruikt.

Het taalgebruik in de NBG-vertaling 1951 werd vanaf toch nog erg ouderwets gevonden. Archaïsche woorden als ‘HERE’ voor ‘Heer’, ‘gij’ in plaats van ‘jij’ of ‘u’ en ‘zeide’ voor ‘zei’ werden uit de Statenbijbel overgenomen. Ze werden als ‘typerend’ voor de bijbel gezien. Ook bijbelse uitdrukkingen met naamvallen, zoals "In den beginne" of "tot in der eeuwigheid", werden overgenomen. De reden dat men veel ouderwetse woorden en termen gebruikte was dat men wilde tegemoetkomen aan de orthodoxe gelovigen. Het verzet tegen deze vertaling leidde in 1969 tot de oprichting van de Gereformeerde Bijbelstichting. In 2004 kwam er een nieuwe vertaling die nu in alle Nederlandse kerken wordt gebruikt.

Foto: De Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004, opengeslagen bij Jesaja 1.

Gepubliceerd 16 januari 2026

Link Facebookpagina 


JOB VAN MELLE (1897-1945)

Van Chris Wessels uit Goes zagen we een foto op Rondje Goes. Hij schrijft er bij dat hij de foto van Job van Melle wat heeft ‘opgepoetst’. Het resultaat is spectaculair, zoals op deze foto’s is te zien.

Job van Melle zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in het het verzet. Hij was boekhouder in het familiebedrijf Bakkerij en Grossierderij Van Melle en actief in het verzet met codenaam 'Veldhoen', bekend als koerier en betrokken bij de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Hij werd in april 1945 gefusilleerd in Amsterdam, nadat hij eerder in de oorlog al door de Duitsers was opgepakt en weer vrijgelaten. De J.D. van Mellestraat houdt zijn naam in herinnering.

Op Facebook schreven we al eerder over hem. De door de Heemkundige Kring De Bevelanden in 2025 uitgegeven route ‘Bezet, Verzet, Bevrijd! 1940-1945, Sporen van de oorlog in Goes’ leidt ook langs het adres van dit familiebedrijf. Het staat er nog steeds: Bakkerij In den Soeten Inval op de Opril Grote Markt 4 (zie: Stadswandeling Sporen van de oorlog in Goes - Forten) Chris Wessels, die familiebanden heeft met de familie Van Melle schrijft: “als kind kwam ik in de jaren vijftig regelmatig bij de Van Melles (moeder, Marinus en Co). Na de oorlog werden daar ook Oostenrijkse kinderen ondergebracht. Eind jaren '50 speelde ik daar in de bakkerij met Werner een zoon van een van die vluchtelingen. Johannes van Melle (wethouder) had in het pand rechts naast In den Soeten Inval een grossierderij. Hij en zijn gezin woonden in Vogelensang (Vogelzangseweg 76).”

Gepubliceerd 30 januari 2026

Link Facebook


HET VERDWENEN WINDWERK

Met het project ‘Oevers van het Veerse Meer’ werd weer eens duidelijk hoe de Zeeuwen eeuwenlang strijd hebben gevoerd met het water. Soms werden er muurtjes op de dijk geplaatst om het hoge water te keren. Deze Muraltmuurtjes waren niet opgewassen tegen de kracht en de hoogte van het water in februari 1953. Het eind van de wandeling langs de oevers van het meer was het monument langs de Muidenweg! Een hand uitstekend boven de golven. In Wolphaartsdijk verdronken 12 mensen.

Jan Versluys: “Vaak was het nemen en terug moeten geven van land aan de zee. Inpolderen en verliezen door een stormvloed. De waterhuishouding was en is nog steeds heel belangrijk.” Het lozen van teveel water in de polders gebeurt nu door een gemaal. Maar vroeger was dat niet zo. Om het water te lozen werd er met een door mensenhand bediende schuif op en neer bewogen. Zo iets heet een windwerk. Het heeft niets met de wind te maken. Het is een opwindwerk dat handmatig werd bediend. Zoiets als het opwinden van een ouderwetse klok.

De schuif zat in een sloot. Wanneer het waterpeil in de polder te hoog werd, kon men dat water lozen in het Veerse Meer in dit geval door de schuif naar boven te draaien. De belangrijkste onderdelen zijn de heugel (1),het rondsel (2), eigenlijk gewoon een tandwiel en de schuif(3). Aan het tandwiel zat een hengsel (hier niet getekend) waarmee de schuif in de waterloop verticaal kon bewegen. In Wolphaartsdijk stonden verschillende windwerken. Helaas zijn ze bijna allemaal verdwenen.

Een van de windwerken stond bij de ingang van de Zuidvlietpolder. Het was maar een kleintje, zo’n anderhalve meter hoog. Maar wel beeldbepalend bij het ingaan van die polder. Eigenlijk een klein monumentje op een prachtige plaats bij het Hardebollepad, het fietspad tussen Kwistenburg en de inlaag ten noorden van Wolphaartsdijk. Tot 2010 heeft het er gestaan. Toen heeft het waterschap het weggehaald en opgeslagen op de Krukelkreeke in Wissenkerke. Bij navraag bleek het als oud ijzer te zijn weggegooid, enkele jaren geleden. Echt zonde…… Jan mijmert nog even verder: “Het zou toch mooi zijn als dat windwerk terug kwam op die plaats! Of een replica!”

Het waterschap wil daar zijn medewerking niet aan verlenen. En ook Erfgoed Zeeland geeft nul op het rekest. Ze kwamen pas kijken of het als cultureel erfgoed beschouwd kon worden toen het zichtbare deel van het windwerk al verdwenen was! En alleen een nauwelijks zichtbare schuif in een sloot is het behouden niet waard. Maar Jan Versluys meent dat het bovengrondse deel wel degelijk interessant is om het te bewaren! Ook vanuit de Heemkundige Kring De Bevelanden is geen actie te verwachten. Triest dat zo’n stukje cultureel erfgoed is verdwenen, maar wat weg is haal je ook niet meer terug met een replica. Met dit artikeltje en de foto wordt het toch bewaard als cultureel erfgoed.

Foto 1: Het windwerk toen het in 2009 nog stond bij de Zuidvlietpolder. Foto 2: Een eenvoudige tekening van het windwerk.

Gepubliceerd 6 februari 2026

Link Facebook


MIJN OPOE

n Zeeuwse Familiepraet, het blad van de Zeeuwse Genealogische Vereniging van december 2025, schrijft Marinus den Dekker uit Dordrecht over zijn herinneringen aan zijn opoe. Die heeft nog op Nisse gewoond

Mijn grootmoeder is nooit oma geworden. Ze was en bleef ouderwets opoe, voor al haar eenentwintig kleinkinderen. Of die nu in Middelburg, Rotterdam, in Den Bosch, Zetten of in Nisse woonden. Want behalve mijn vader, die levenslang in zijn geboorteplaats bleef, trokken haar kinderen alle kanten op. Niet erg vreemd want zij kwam zelf ook ‘van alzo veer’.

Catharina Petronella van Klooster (1887-1970) was haar naam, genoemd naar twee zussen van haar vader. Ze werd geboren in Rotterdam en groeide op in hartje Crooswijk. Haar vader en twee oudere broers werkten daar in het slachthuis, ze hadden er tot de verbeelding sprekende beroepen als darmenzouter en darmenschraper (deze ingewanden waren van belang voor de worstproductie). De broers klommen later een tree hoger in de rangorde van het abattoir als slachter.

Mijn opa Marinus den Dekker (1886-1977) kwam van ‘s-Gravenpolder. Hij werkte als landarbeider in diverse dorpen op Zuid-Beveland, maar in 1911 trok hij naar Rotterdam. Opa was niet de eerste of de enige, veel Zeeuwen gingen rond 1900 naar de grote stad, op zoek naar werk en toekomst: Rotterdam-Zuid is daar groot mee gegroeid. Opa Marien vond een baan in het slachthuis. Hij was niet eenkennig, trok al snel op met de broers Van Klooster en kwam bij de familie in Crooswijk over de vloer. Zo is het dus gekomen, ze zijn getrouwd in 1914 en kregen in Rotterdam hun eerste twee kinderen.

Marien hield het in het slachthuis al snel voor gezien. Zelf vertelde hij ook nog gevaren te hebben, sterker: hij zou als scheepskok op de grote vaart gewerkt hebben. Hij wees graag naar het anker dat op zijn arm getatoeëerd stond. De familie relativeerde dit verhaal altijd, hij is ook nergens als zodanig geboekt. Wel als koetsier, al voor zijn trouwen. Dat werk lag hem stukken beter dan het abattoir, hij kon als Zeeuw van het platteland wel met paarden overweg.

Maar ook dat was in Rotterdam natuurlijk anders dan in Zeeland, en in 1918 ging hij terug. Naar Nisse, mooie Staak, zo vermelden de registers van Rotterdam. Opoe Catrien had geen keus, ze kwam met twee kleine kinderen in een arbeiderswoning bij boerderij ‘de Mooie Staak’, op een stief half uur lopen van het dorp Nisse. Daar werden nog vier kinderen geboren, van wie de laatste levenloos ter wereld kwam.

Na tien jaar verhuisden ze naar de dorpskern van Nisse. Ze is er niet gelukkig geworden. Het was met z’n zeshonderd inwoners bepaald geen Rotterdam. En de enige andere niet-Zeeuwen die er woonden waren de burgemeester, de dominee en de dokter. Mensen van een totaal andere stand. Toch was opoe naar den bloede half Zeeuws. Haar vader kwam uit Zierikzee: Johannes van Klooster (1846-1918).

Op Facebook vinden we nog wat informatie over boerderij De Mooie Staak van Danny Vermue, een nazaat van de vroegere eigenaar van deze boerderij. Boerderij de Mooie Staak aan de Rondepolderdijk bij Nisse. Deze boerderij is in 1632 gebouwd. In maart 1852 en mei 1880 is de aan het woonhuis vaststaande schuur afgebrand. De 3e schuur is toen los van het woonhuis gebouwd.

Deze boerderij is nu een rijksmonument en we vinden deze informatie: “Bakstenen woonhuis met gepleisterde gevels, een zij-topgevel in schoon metselwerk met noktuit. Pannen zadeldak. 1632 in sier jaartal ankers op topgevel. Dicht bijeen liggende sierankers in lange gevel. Bakgoot op ijzeren steunen. 6-ruits schuifvensters en gewijzigde topgevelramen. Boven voordeur gebeeldhouwd kopje. Zijgevel doet oorspronkelijk trapgevel vermoeden. Houten, zwart geteerde schuur met pannen zadeldak en witte omrandingen ongeveer negentiende eeuw. Zomerhuis van baksteen, haaks op het woonhuis vernieuwd, twintiigste eeue.” Dat zomerhuis zou wel eens het arbeidershuisje kunnen zijn van de opoe van de schrijver, waarmee we dit stukje begonnen.

Foto 1: Catharina Petronella van Klooster (1887-1970), foto uit 1914. Foto 2: Boerderij De Mooie Staak te Nisse in 1964.

Gepubliceerd 10 februari 2026

Link Facebook


WEDEROPBOUWKUNST

Zuid- en Noord-Beveland zijn relatief ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog gekomen. Geen volledig verwoeste dorpen en steden. Toch zijn ook hier herinneringen te vinden aan de Wederopbouw. De samenleving moest herstellen van de gevolgen van de bezetting. Naast het bouwen was er een verlangen om dit uit te dragen in kunst. Vanaf 1951 stimuleerde de rijksinoverheid dit met de percentageregeling. Dit hield in dat bij nieuwbouw van grote rijksgebouwen (ministeries, scholen, stations, e.d.) anderhalf procent van de bouwsom aan kunst kon worden besteed. Dit zorgde weer voor een stimulans bij het bedrijfsleven, waardoor bedrijven als bankgebouwen, warenhuizen, fabrieken, hotels, cruiseschepen, e.d. kunst in hun bouwwerken gingen toepassen. Deze regeling bleef in stand tot 1960, maar in de praktijk bleef dit nog doorlopen.

De kunst uit deze periode wordt aangemerkt als ‘Wederopbouwkunst’. Op deze wijze wilde men het verwoeste landschap weer een nieuw gezicht geven.

Denk even aan de beelden die we nu dagelijks zien van gebombardeerde gebieden. Een decoratieve aankleding van representatieve gebouwen vond men belangrijk. Er werd gesproken van een ‘Herrijzend Nederland’ en beeldend kunstenaars wilden deze nieuwe gebouwen van kunstwerken voorzien vanuit de ideële doelstelling ‘hedendaagse kunst naar de mensen brengen’. Zij waren er van overtuigd dat dit het beschavingsniveau en het welbevinden van de mensen zou bevorderen.

Thans zijn veel van deze gebouwen aan het eind van hun levensduur. Ze worden gesloopt of drastisch verbouwd. De kunst uit die periode dreigt daarmee verloren te gaan. Kunst die eigenlijk een monumentaal karakter zou moeten hebben omdat ze kenmerkend is voor deze Wederopbouwperiode. Wellicht de bekendste Wederopbbouwkunst in Zeeland is het mozaïk van Louis van Roode van het voormalig hotel Britannia in Vlissingen. Het werd ter nauwernood van de sloophamer gered en ligt nu opgeslagen te wachten op een herplaatsing in het te bouwen stationsgebied van die stad.

Het kunstwerk op het voormalige St. Willibrordcollege behoort ook tot de ‘wederopbouwkunst’. In 1963 werd de katholieke hbs, onderdeel van het St. Willibrordcollege aan de Fruitlaan in Goes geopend. Pas in 1970 kon het kunstwerk worden plaatst. Reden waarom het zolang heeft geduurd was omdat eerdere ontwerpen van andere kunstenaars door het schoolbestuur werden afgekeurd. Het ontwerp van Nico van den Boezem (1935-2017) werd direct aanvaard. In de PZC van 4 juli 1970 zien we een foto en beschrijving van het kunstwerk bij de onthulling. Uit beton is een optische constructie gemaakt. Door kanteling van positieve en negatieve tegels is er in het tableau een figuratie ontstaan, die vanuit verschillende gezichtspunten een andere indruk maakt. Het mozaïk werd geplaatst boven de hoofdingang van de school.

Wederopbouwkunst is nauw verbonden met de wederopbouwarchitectuur. Door sloop of verbouw van deze gebouwen dreigt deze kunst verloren te gaan. Om die reden is wederopbouwkunst sinds 2006 aangemerkt als cultureel erfgoed. Hiermee wordt bedoeld dat het belangrijke kenmerken heeft van het verleden uit de tijd waarin deze werken zijn gemaakt. Hierdoor kunnen gebouwen een beschermde status krijgen. Een voorbeeld zijn beschermde stads- en dorpsgezichten of monumenten. Maar ook archeologische opgravingen, archieven en kunst hebben deze status.

Vanuit verschillende sectoren, zoals lokale politiek, heemkunde en kunstsector zijn pogingen ondernomen om ook het kunstwerk van het voormalige St. Willibrordcollege te behouden, omdat ook dit kenmerken heeft van de wederopbouw van na de Tweede Wereldoorlog. Het idee is gelanceerd om dergelijke kunstwerken te plaatsen in één van de vele parken die Goes heeft. Een soort ‘beeldentuin’ van beelden die bij sloop of verbouw verloren dreigen te gaan. Hoe mooi zou daar ‘De St. Willibrordmuur’ staan? Maar het kan natuurlijk ook tegen een muur van een bestaand gebouw worden geplaatst. Inmiddels is het kunstwerk van de sloop gered door particulier initiatief. Het kunstwerk is uit de muur gezaagd en is door de gemeente opgeslagen in afwachting van een nieuwe locatie waar het geplaatst kan worden.

In de voormalige basisschool in Nieuwdorp zaten enkele keramische tegels van spelende kinderen. Door particulier initiatief zijn deze gered van de sloop en zijn ze herplaatst in de nieuwe school. Helaas is het jaartal 1951 niet herplaatst. Aan de Westsingel in Goes staat het vroegere Landbouwhuis. Nu zijn dat woonappartementen en gelukkig is het keramische mozaìk in de hal behouden. Aan de Lijnbaan in Goes staat nog steeds de voormalige Koningin Wilhelminaschool. Ook daar zat aan de gevel een kunstwerk, maar wie weet waar dit is gebleven?

Erfgoedvereniging Heemschut heeft een Werkgroep Monumentale Kunst (WMK) die sinds 2014 expertise en ondersteuning biedt bij de redding en herplaatsing van deze architectuurgebonden kunst. Inmiddels zijn er ook enkele leden van de Heemkundige Kring de Bevelanden die zich hiervoor willen inzetten.

Foto 1: Het mozaïk van Nico van den Boezem van het voormalige St. Willibrordcollege te Goes. 

Foto 2: De keramische tegels in de voormalige basisschool te Nieuwdorp.

Foto 3: De ornamenten van de flatwoningen aan de Van Dusseldorpstraat te Goes. 

Foto 4: Het beeldhouwwerk van J.B. Ducro rond de ingang van Ons Dorpshuis te Kruiningen. 

Foto 5: Het keramische mozaïk in het voormalige Landbouwhuis aan de Westsingel te Goes. 

Foto 6: Het kunstwerk van de voormalige Koningin Wilhelminaschool te Goes.

Foto 7: Het kunstwerk uit het voormalige GAK te Goes.

Gepubliceerd 20 februari 2026

Link Facebook


DORPSGEZICHTEN

Van een mevrouw ontvingen we een mailtje of we interesse hebben in enkele foto’s uit Kapelle. Dat hebben we altijd. Foto’s vertellen een verhaal dat we graag willen horen. Op ons voorstel om ze op te halen kregen we het bericht dat mevrouw in Twente woont. Dan is opsturen per post goedkoper. Het bleken ansichtkaarten met dorpsgezichten te zijn . Voor het digitale tijdperk waren dat de kaarten die mensen naar elkaar stuurden. Even laten zien waar we zijn tijdens vakantie. Nu doen we dat met sociale media.

Het zijn dorpsgezichten van Biezelinge, Hoedekenskerke en Kapelle. Ansichtkaarten zonder adressering of aantekening. Hoe komen die in Twente? Mevrouw weet niet zoveel van Zeeland en is er slechts sporadisch geweest. De kaarten blijken afkomstig te zijn van haar overleden echtgenoot Marco de Jager. Ze weet te melden dat de familie van haar man aan de Klinker in Kapelle heeft gewoond. Zijn ouders waren Piet de Jager en Wilhelmina van den Berge. Hij had ook een broer en een zus, Leen en Betty. Van het gezin leeft niemand meer. Privacy is altijd belangrijk, en meer informatie vragen we dan maar niet. Maar nieuwgierig geworden toch maar eens zoeken op de website Zeeuwen Gezocht. Al snel vinden we de huwelijksacte van zijn ouders. Pieter Cornelis de Jager en Wilhelmina van den Berge zijn op 22 mei 1936 in Hoedekenskerke getrouwd. Van de 22-jarige bruid is dit de geboorteplaats. Het verklaart de aanwezigheid van de ansichtkaarten uit dit dorp.

De 30-jarige bruidegom is in het Thoolse Scherpenisse geboren. Als zijn beroep staat ‘veldarbeider’. Dit is ook het beroep van zijn vader, de opa van Marco. De vader van de bruid, dus de andere opa, is kleinlandbouwer.

De bruidegom is op het eiland Tholen is geboren. We vinden geen andere woonplaatsen. Vermoedelijk is hij al op jonge leeftijd met zijn ouders richting Zuid-Beveland gegaan. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw vertrokken veel landarbeiders uit Tholen naar ZuidBeveland en andere delen van Zeeland. Deze migratie werd gedreven door structurele werkloosheid, een geboorteoverschot en de economische crisis in de landbouw. In de omgeving van de Bevelanden was meer werkgelegenheid.

In 1936 - hun huwelijksjaar - is het midden in de economische crisis die de wereld teisterde. Bij beide gezinnen zal het geen vetpot zijn geweest. Nederland stond in het teken van een diepe landbouwcrisis. In 1933 probeerde men via de Landbouwcrisiswet de productie en de prijzen in de landbouw te reguleren. Het werk in de landbouw was nog veelal handmatig en de lonen waren laag. Als Piet de Jager en zijn vader als veldwerkers al werk hadden zullen ze niet veel verdiend hebben. En als er geen werk was waren ze afhankelijk van ‘de steun’, een minimale uitkering of moesten ze naar een werkverschaffingsproject. Vaak zwaar lichamelijk werk, zoals het handmatig graven van kanalen of aanleg van bossen. Het Kralingsebos in Rotterdam en het Twentekanaal zijn op deze wijze aangelegd. Maar dichter bij huis zijn de eerste sportvelden in Goes van het huidige Sportpark Het Schenge op deze wijze aangelegd.

Op 1 november 1966 overlijdt Pieter Cornelis de Jager op 61-jarige leeftijd te Kapelle. Zijn echtgenote Wilhelmina van den Berge overlijdt in dezelfde plaats op 16 februari 1995 op 80- jarige leeftijd. Twee levens van mensen die in 1936 begonnen als een veld- en landarbeidersgezin. We komen geen berichten meer tegen. Wat resteert zijn enkele ansichtkaarten van het straatje waar ze vele jaren hebben gewoond en enkele dorpsgezichten van het geboortedorp. Uit welke periode de foto’s zijn weten we niet, maar misschien kunnen onze lezers hier iets meer over zeggen.

Foto 1: De Klinker in Biezelinge.

Foto 2: Hoofdstraat in Biezelinge.

Foto 3: Noordstraat met de kerk in Biezelinge.

Foto 4: Dorpstraat in Biezelinge. 

Foto 5: Oudendijk in Biezelinge. Foto 6: Hotel-café De Zwaan in Kapelle.

Foto 7: Kerkstraat in Hoedekenskerke. 

Foto 8: Winkeltje van Wullempie in Hoedekenskerke.

Gepubliceerd 23 februari 2026

Link Facebook 


DE ERFENIS

Op woensdag 30 maart 1881 overlijdt de 82-jarige Jacobus van Merris te Krabbendijke. Hij is op 11 januari 1799 in Wolphaartsdijk geboren. Per vergissing wordt zijn naam ingeschreven als ‘Vermaire’. Maar was het een vergissing? Nederland maakte onderdeel uit van het Franse keizerrijk van Napoleon, waarbij veel namen met Franse spelling werden geschreven.

In 1818 wordt hij opgeroepen voor de militaire dienstplicht die in de Franse tijd door de keizer was ingevoerd. In 1813 was koning Willem I ‘soeverein vorst’ van het koninkrijk der Nederlanden geworden. We komen Jacobus tegen in het ‘lotelingenregister’ van dienstplichtigen van 1818. Een jaar later wordt hij twintig jaar. Hij is boerenknecht en of hij daadwerkelijk dienstplichtig militair is geworden weten we niet. We hebben het niet uitgezocht. Maar op 4 december 1829 doet hij, na overlegging van zijn doopextract, het verzoek om zijn familienaam te wijzigen in ‘Van Merris’ in plaats van het foutieve ‘Vermaire’. Zijn ouders zijn Karel Merris en Cornelia Molhoek. Bij de inschrijving van zijn vader is het voorzetsel ‘Van’ weggelaten. Vroeger nam men het niet zo nauw met de spelling.

De reden om inschrijving van zijn oorspronkelijke naam te vragen zal gelegen hebben in het feit dat hij wilt gaan trouwen. Jacobus is dertig jaar en trouwt op 31 december 1829 met de 22- jarige Jannetje Blok uit Krabbendijke. In deze plaats trouwen ze en zullen daar tot hun dood blijven wonen. Jacobus is nog steeds boerenknecht en bij Jannetje staat dat ze ‘Pariculiere’ is. Dat duidt meestal op iemand die niet werkt maar blijkbaar voldoende geld heeft om in haar levensonderhoud te voorzien. Ze is de dochter van een landman, iemand die landerijen bezit.

Het huwelijk van Jacobus en Jannetje blijft kinderloos. Op 2 juni 1855 overlijdt Jannetje op 48- jarige leeftijd te Krabbendijke

Opvallend is dat in het overlijdensregister staat dat haar ouders onbekend zijn terwijl deze wel op de huwelijksacte zijn vermeld: Christiaan Blok en Jannetje de Roo. Jacobus blijft achter als rijke weduwnaar, want als boerenknecht is hij nu landman omdat het bezit van zijn schoonouders via zijn overleden vrouw nu zijn eigendom is.

Op 30 maart 1881 overlijdt Jacobus van Merris te Krabbendijke op 82-jarige leeftijd. Na het overlijden in 1855 van zijn vrouw Jannetje is hij nooit meer getrouwd. Er zijn geen kinderen die aanspraak kunnen maken op de omvangrijke erfenis. Er begint een zoektocht naar neven en nichten die de enige erfgenamen zullen zijn.

Volgens kleindochter Marie Mieras-Schipper was haar opoe Maria Sela (1867-1949) zo’n nichtje. Op 25 mei 1888 is ze te Kapelle gehuwd met Dingenis Schipper (1862-1924). Beiden zijn in deze plaats geboren en overleden. Maria Sela is enig kind en haar vader, Marinus Sela (1828-1878) was dat ook. De erfenis zou toebehoren aan haar vader Marinus, maar omdat die in 1878 is overleden treedt zijn enige kind, dochter Maria Sela in zijn plaats. Terwijl andere neven en nichten hun erfdeel met veel broers en zusters moeten delen, krijgt Maria nu het grootste deel.

Van een arm landarbeidersgezin worden Maria Sela en haar man Dingenis Schipper met hun acht kinderen een vermogend gezin. In 1901 wordt er nog een tweeling geboren, Cornelis en Stoffel, die al na enkele maanden overlijden. Met de erfenis zijn ze door het dolle heen en er worden wilde plannen gemaakt. Maria zou het liefst naar Amerika emigreren, maar dat vindt haar man Dingenis Schipper te ver. Ze willen in ieder geval weg uit Zeeland. Het wordt: Texel. Met een binnenvaartschip ‘emigreert’ het hele gezin naar dit Waddeneiland. Maar voor het zover is steken alle gezinsleden zich eerst in nieuwe kleding en poseren ze voor de fotograaf. Vader Dingenis Schipper met zijn zonen in het Zeeuwse lakense zwarte pak met ronde hoed, en moeder Maria Schipper-Sela en haar dochters met de Zeeuwse kap en Zeeuwse schort. In Texel worden ze een bezienswaardigheid. Na enkele maanden komen ze toch weer terug naar Kapelle. Op die Texelse zandgrond wilde niets groeien. Dan was de Zeeuwse kleigrond beter om te boeren. Dingenis Schipper begint een fruitteeltbedrijf, dat later voortgezet wordt door zijn kinderen en kleinkinderen. Kleindochter Marie Schipper trouwt met Jan Adriaan Mieras die het fruitteeltbedrijf voortzet. In 2020 overlijdt hij op 81-jarige leeftijd. Maria Schipper-Sela, de opoe die de erfenis ontving, overlijdt op 14 april 1949 te Kapelle, waarmee haar familienaam Sela verdwijnt.

Foto: het gezin van Dingenis Schipper en Maria Schipper-Sela in 1901 met hun acht kinderen. De twee jongste kinderen, de in 1901 geboren en overleden tweeling Cornelis en Stoffel staan niet op de foto

Gepubliceerd 1 maart 2026

Link Facebook


DE STEM DES VOLKS

Ze ontstonden eind negentiende en begin twintigste eeuw: arbeiderszangverenigingen. Sociaalculturele organisaties die opkwamen binnen de socialistische arbeidersbeweging in Nederland. Ze dienden niet alleen als ontspanning, maar ook als middel tot verheffing en politieke bewustwording van de arbeidersklasse. Ook in Zeeland hebben deze zangkoren bestaan. In Goes had je ‘De Stem des Volks’, een naam die veel van deze koren hadden. In Vlissingen was het ‘De Volksstem’, die zelfs een jongerenkoor had onder de naam ‘Jong Leven’. Elders in het land kwam je ook het meer poëtische ‘Morgenrood’ tegen

We ontvingen een klein dun boekje van acht pagina’s. Op de voorpagina staat: HUISHOUDELIJK REGLEMENT van de zangvereniging. Daaronder met pen geschreven: “De Stem des Volks afd. Goes”. En daaronder weer gedrukt: “Afdeling van de bond van arbeiderszangverenigingen in Nederland”. De Bond van Arbeiders-Zangvereenigingen in Nederland werd begin twintigste eeuw opgericht om die zangkoren te ondersteunen. Doel was ‘verheffing van het volk’ en emancipatie van de arbeiders door het zingen van strijdliederen.

Op de eerste pagina een stempel met de naam van het koor van de afdeling Goes en het adres van het secretariaat: “Jasmijnstraat 15”. Geen plaatsnaam, blijkbaar een vanzelfsprekendheid dat dit in Goes is. Met kapitale letters: BEWIJS VAN LIDMAATSCHAP. Dan met pen ingevuld de naam van het betrokken lid met nummer. Het is L.H. de Leeuw, toegetreden op 5 september 1950, lidnummer B50. Ondertekening van het bestuur: Harinck Schaalje, voorzitter en J.M. Maas, secretaris. En op de laatste pagina zien we nog dat Kees Jobse penningmeester is

Het lid L.H. de Leeuw (1922-2014) is Lieven de Leeuw die later carrière zal maken in de gemeentepolitiek in Goes. In 1966 werd hij in Goes gemeenteraadslid namens de PvdA en van 1972 tot 1990 wethouder in dezelfde gemeente. In artikel 1 van dit reglement staat dat De Stem des Volks in Goes in augustus 1931 is opgericht. In artikel 2 lezen we de doelstelling van de vereniging: “De Vereniging beoogt door het beoefenen en uitvoeren van de algemene, zowel als de Socialistische (met hoofdletter) koorzang, haar werk dienstbaar te maken aan de propaganda voor de moderne arbeidersbeweging, zoals die in ons land op politiek en economische terrein haar uitdrukking vindt in de Partij v.d. Arbeid en het N.V.V. en aan de ontwikkeling van het gevoel voor kunst bij het volk.” Het is een lange zin die taalkundig klopt, maar nu niet meer geschreven zou worden.

Van dit zangkoor kon je vanaf zestien jaar lid worden en moest je voor de dirigent een zangproef afleggen. Ook was er een ballotage, want de leden krijgen een bericht als een nieuweling zich had aangemeld. Als iemand met vermelding van redenen bezwaar maakt moet er over vergaderd worden. Een regeling die bij sommige verenigingen nog tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw bestond. Er moest eens iemand met snode plannen willen infiltreren.

In artikel 12 staat dat een door de ledenvergadering benoemde dirigent de leiding van het koor heeft en daarvoor een salaris ontvangt. Nieuwe leden moeten bminstens zes weken lid zijn om mee te mogen doen aan een uitvoering. In artikel 13 staat dat als een lid op zes opeenvolgende repetities niet verschijnt als lid geroyeerd kan worden. Dat moet dan wel door een ledenvergadering goedgekeurd worden, waarbij het betrokken lid gehoord moet worden.

In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw zijn veel van deze arbeiderszangkoren opgeheven. De verzuiling had niet alleen de ontkerkelijking tot gevolg. Ook de socialistische zuil, vorm gegeven door vakbeweging NVV, omroepvereniging VARA, dagblad Het Vrije Volk en arbeiderszangverenigingen, verdween. Er voor in de plaats kwam een ‘protestbeweging’ die vorm kreeg in actiegroepen voor het milieu en tegen kernbewapening. Daarbij werden ook nieuwe strijdkoren opgericht. Op de Bevelanden kreeg dat vorm door de oprichting van het Solidariteitskoor De Bevelanden. Maar begin jaren negentig verdween ook deze beweging.

Foto 1: het lidmaatschapsbewijs van L.H. de Leeuw van De Stem des Volks in Goes.

Foto 2: Optreden van het Solidariteitskoor De Bevelanden in februari 1984 in De Jeugdhoeve te ‘s-Heerenhoek.

Gepubliceerd 5 maart 2026

Link Facebook


NOSTAGISCHE OVERDENKING

Piet Capello is al vele jaren geleden uit Goes - en de provincie Zeeland - vertrokken. Toch denkt hij nog vaak aan zijn geboortestad. Die overpeinzingen deelt hij dan op Facebook. Hier zo’n gedachte uit een tijd waarin hij nog niet was geboren, maar waar veel oude Goesenaren nog met nostalgie aan denken: de muziektent op de Grote Markt, het oude station, de gaslantaarn, het Ceresbeeld, de ANWB-wegwijzer en de stenen bank.

Daar stond ie dan een tijdje, de Groote Lantaarn op de Dam. In 1907 van zijn rond beklinkerde centrale plaats op het verder nog onverharde middenplein van de Groote Markt verdreven vanwege koninklijk bezoek (Wilhelmina en Hendrik), daar moest ie plaats maken voor de demontabel uitgevoerde muziekkiosk, een planken tent die jaren later (1953) wegens houtrot werd verwijderd en waar een deel van de oudere bevolking nog steeds naar terugverlangt. De wegwijzer wijst naar het verdwenen oude station. Een nostalgisch kruispunt. Hij stond er maar een tijdje, want vanwege het regeringsjubileum (25 jaar) van dezelfde vorstin werd daar een gemetselde bank geplaatst om dat te herdenken. De Romeinse landbouwgodin Ceres zou jaren later wraak nemen: de bank begon aan een tocht langs de vesten en zij veroorzaakte veel ophef vanwege haar beeltenis in doorschijnend gewaad. Van de Groote Lantaarn, eens de trots van de gemeentelijke gasmaatschappij, werd niets meer vernomen, helaas.

Foto: Boudewijn de Wittestraat (nu de Dam) in Goes.

Gepubliceerd 7 maart 2026

Link Facebook


DE VERHALEN GAAN VERDER IN VERHAAL WINTER DEEL 2