Najaar 2025

DE HEKS VAN REIMERSWAAL

In Waterschans, het blad van onze zustervereniging de Geschiedkundige Kring Bergen op Zoom, nr. 3, najaar 2025 komen we een artikel tegen over het Oosterscheldemuseum te Yerseke. Een passage viel ons op, die we hier citeren: “In Bergen op Zoom speelt de 'heks van Reimerswaal' een opvallende rol tijdens de jaarlijkse vastenavondviering. Ze is een verzonnen figuur, symbool van afscheid en vernieuwing - een motief dat diepgeworteld is in de Bergse vastenavondcultuur. Maar wie in Yerseke naar haar vraagt, oogst vooral verbaasde blikken. 'Regelmatig krijgen we bezoekers uit Bergen op Zoom', vertellen Adri de Koeyer en Leo Pekaar, beiden vrijwilliger én conservator van het Oosterscheldemuseum. 'Zij vragen dan vrijwel altijd naar de heks van Reimerswaal, maar in Zeeland kent men dat verhaal niet. Dat behoort echt tot de Bergse traditie.”.

“Het is een culturele kloof die fascineert. Hoe kan een mythisch personage zo sterk leven in de ene stad, terwijl ze in de streek waarnaar ze vernoemd is, volkomen onbekend blijft? Misschien is dat de kracht van traditie. In Bergen op Zoom is de heks een levend symbool - een personificatie van het verleden. In Zeeland daarentegen is Reimerswaal een naam op een kaart, een verzonken stad zonder gezicht. Het museum heeft geen sluitend antwoord, maar koestert de vragen. En wie weet, krijgt de heks ooit een plek tussen de verhalen en objecten van het museum. Of is hier de wens de vader van de (Bergse) gedachte?”

We gingen zoeken op het ‘wereldwijde web’ en vonden iets over deze Bergse traditie. Een prins hebben ze tijdens carnaval in de meeste steden en dorpen. Een nar ook, en ook boeren en politieagenten (Steketee, de altijd en overal vooraan lopende vastenavendpolitie) zijn niet zeldzaam. Maar een heks, die zie je niet vaak. Hoe komt Bergen op Zoom aan zijn Wana, de naam van de heks?

Prins Nilles I (Gerard Wortelboer die in 1966 Prins Carnaval in Bergen op Zoom was) besloot de geest van de zeemeermin naar Bergen te halen. Met driehonderd man in bootjes ging hij het water op om Wanan, de heks van Reimerswale te vragen met Vastenavend naar onze stad te komen. Dat lukte, en sindsdien komt Wana iedere Vastenavend weer naar ’t Krabbegat. Soms is ze te zien tijdens de Kindervastenavend, en natuurlijk rijdt ze altijd mee in de intocht en optocht. Op dinsdag, de laatste dag van Vastenavend, valt haar kraai en is het feest ten einde.

De legende is als volgt: “Er was eens een zeemeermin. Zij kwam in Reimerswaal aan wal en vroeg daar om een glaasje water. Ze kreeg echter niks. De zeemeermin zwom naar Steenbergen en stelde daar dezelfde vraag. Ze kreeg er een half glas water. Maar in Bergen op Zoom kreeg ze wél een vol glas! Daarom sprak zij de woorden: ‘Bergen op Zoom zal blijven bestaan, Steenbergen zal half vergaan en Reimerswaal zal helemaal vergaan.’ De vloek kwam uit. Reimerswaal was ooit een stadje tussen Steenbergen, Bergen op Zoom en Tholen, maar verdween in 1631 onder de golven.”

Reactie Ruben Koman In het onderzoek naar Reimerswaal (vanuit Tholen, m.n. heemkundekring aldaar), waarbij de peolografische groep van het Zeeuws Archief betrokken is (Paiz), wordt ook aandacht besteed aan deze heks. Het volksverhaal is een migrerende sage, die bv. ook aan Westerschouwen en de Plompe Toren van Koudekerke is gekoppeld. Maar ook aan plaatsen als Dordrecht en Zevenbergen. Dorpen en steden claimen het verhaal als "eigen", dikwijls is de vloek gekoppeld aan een verdronken dorp/stad of gebied, al dan niet met een zeemeermin, spokerij of eeuwigdurend klokkengelui. Ik schreef er over in mijn boek Verhalen van Stad en Streek.

 Bron: Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)

Gepubliceerd 8 oktober 2025

Link naar het facebookartikel


A.C. VAN DER PEIJL

Op de Facebookpagina ‘Wij zijn de stad - Middelburg’ vonden we dit artikel

Op 3 oktober 2025 is het precies 50 jaar geleden dat Van der Peijl Techniek Middelburg werd geopend. Het was toen de derde vestiging van het bedrijf in Zeeland, dat in 1940 was opgericht in Goes, door A.C. van der Peijl. Op de website van van der Peijl, techniek.nl, kun je een samenvatting van de geschiedenis vinden. (Zie Geschiedenis - Van der Peijl Techniek ).

In een mooi artikel in de PZC van 3 augustus 1998, vertelt Mieke van der Jagt het verhaal over opa Van der Peijl. Je gelooft bijna niet wat je leest. De beste man deed zijn inkopen in Amsterdam, en deed dat...op de fiets!

Wij werden op het jubileum geattendeerd door verkoopmedewerker Gerrit Schuitert, die al jaren bij het bedrijf werkt. Dat vonden we een mooie gelegenheid om nu eindelijk eens foto's te maken van het bedrijf aan de Herculesweg. Van der Peijl is een instituut. Daar wilden we maar wat graag eens een kijkje achter de schermen nemen

Met de beelden van het hier en nu wachten we echter nog even. We beginnen nu eerst met beelden wat knipsels van de geschiedenis van de Middelburgse vestiging. Tijdens de rondleiding werden we namelijk ook verrast met een voorraadje oude foto's, waarvan sommige nog in zo'n klassiek mapje van Maxis/Trefcenter. Dan weet je het wel. Leve de jaren 80!

We zijn altijd blij met oude foto's, maar deze koesteren we nog net een beetje meer, omdat er ook een aantal foto's tussen zitten van de panden waar het allemaal begon in Middelburg, namelijk die aan Sint Janstraat 20. De ingang van de winkel zat aan de straat, die van het magazijn aan de achterkant, bij het Zusterplein.

We hadden eerlijk gezegd helemaal niet (meer) op het netvlies dat van der Peijl daar zestien jaar zat. Dat komt ook omdat we er in de bekende beeldbanken nooit foto's van zagen. Nu beseffen we pas dat de mini-opslag van Bert Dingemanse, waar we twee jaar terug waren, vroeger van der Peijl was. Voor die tijd waren de panden lang in gebruik geweest als garage Mona. De website Middelburgs Bandenspoor heeft er een mooi artikel over.

Unieke foto's dus, die je hier ziet. Ze zijn aangevuld met beelden van de bouw en de opening van het huidige pand, in 1990 en 1991. Echt tof dat we deze mochten lenen om in te scannen! Als aanvulling op bovenstaande tekst kunnen we nog melden dat opa Van der Peijl in 1940 begon met zijn bedrijf in een schuurtje achter zijn huis in de Jacoba van Beierenstraat (nu een deel van Van de Spiegelstraat) in Goes. In deze plaats is aan de Livingstoneweg nog steeds een vestiging onder de naam ‘Van der Peijl Techniek en Automaterialen. Door overnames is het bedrijf nu in verschillende plaatsen gevestigd. In 2014 werd het bedrijf in zijn geheel overgenomen en is het nu een onderdeel van BMG Holding in Hoorn.

Foto’s: Het vroegere pand aan de St. Janstraat te Middelburg en de huidige vestiging te Goes en krantenartikel.

Gepubliceerd 16 oktober 2025

Link naar het facebookartikel


MIJN NAAM IS ‘VAN BAERLAND

Enige tijd geleden ontvingen we uit de nalatenschap van Dies Martens (1944-2025) enige genealogische stukken. De meeste van die stukken zijn aanwezig in het Genealogisch Centrum Zeeland. Het restant heeft zijn weg gevonden naar een genealoog in Zeeuws-Vlaanderen, waar de familie Martens zich ooit gevestigd had en vandaar de oversteek naar Zuid-Beveland maakte.

Al bladerend door een mapje dat is achtergebleven komen we de genealogie van de familie Van Baerland tegen. Zoals de naam al aangeeft een familie die zijn sporen heeft nagelaten in het dorp Baarland en omgeving. De eerste naam die we tegenkomen is Matheus Michielsz. die in Baarland is geboren. Hij was droogscheerder van beroep, een proces dat plaatsvond bij de lakenbereiding, waarbij, na het vollen (vervilten van wol) de uitstekende pluisjes met een grote schaar werden afgeknipt, waardoor het weefsel een glad oppervlak kreeg.

In 1576 trouwt hij met Tanneken Marinusdr., die zes jaar later in 1582 in Goes overlijdt. Matheus overlijdt in 1592 in Goes. In de korte periode dat ze getrouwd waren kregen ze vier kinderen. Daarna trouwt hij nog voor de tweede maal, waaruit ook een aantal kinderen worden geboren.

We lezen dat Matheus (nog steeds met de achternaam Michielsz., de voornaam van zijn vader) op 10 juli 1575 uit Baarland komt en poorter van Goes wordt. Poorter was een benaming voor een burger die het recht verworven had om binnen de stadspoorten te wonen. Het moet een man van aanzien zijn want hij is ‘ambachtsheer van Baarland’ en wordt in Goes schepen = wethouder) en burgemeester.

Op een volgend blad komen we aantekeningen tegen van een Jan Willemss van Baerlant tegen. Deze is in 1574 geboren en op 21 oktober 1629 in Goes begraven. Welke familierelatie er is met de hierboven genoemde Matheus wordt niet duidelijk. Maar volgens de boedelstaat moet het een zeer vermogend man zijn geweest met landerijen in Vlake, Wemeldinge, Baarland, Oudelande en Bakensdorp. In 1583 komt zijn naam voor als ambachtsheer.

Ook komen we een Mr. Michiel Matheus van Baerland tegen, die in 1577 in Goes is geboren. Op 30 januari 1629 is hij overleden en dan staat er de datum 2 februari 1629 met de vermelding ‘grafzerk ‘s-Gravenhage’. In 1595 was hij student in Leiden in de letteren en stond daar ingeschreven met de achternaam Barlandus.

Die naam komen we ook tegen op Wikipedia. Het is alleen een ‘naamgenoot’ van honderdvijftig jaar eerder, die zich Adrianus Barlandus noemt, een latinisering van Adriaan van Baerland, die leefde van 1486 tot 1538. Hij is op 28 september 1486 in Baarland geboren en was historicus, moraalfilosoof en literator, die werkzaam was in Leuven, in welke stad hij ook is overleden. Hij was een tijdgenoot en aanhanger van Erasmus, die hij zeer bewonderde. In 1516 maakte hij ten behoeve van zijn broer Cornelius Barlandus een catalogus van de geschriften van Erasmus.

Foto: Titelpagina van Hollandiae comitum historia et icones (De geschiedenis en portretten van de Hollandse graven) van Adrianus Barlandus. (1584) Het is het eerste boek dat de bekende boekdrukker Christoffel Plantijn (1520-1589) in Leiden drukte.

Gepubliceerd 22 oktober 2025

Link naar het facebookbericht 


GOES IN DE VIJFTIGER JAREN

Piet Capello is in 1948 in Goes geboren. In de jaren zestig ging hij naar het St. Willibrordcollege en daarna ging hij de provincie Zeeland uit. Hij studeerde aan het Brabants Conservatorium in Tilburg en aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Werkte aan de Mediatheek van het Conservatorium Amsterdam en woont nu al vele jaren in Amsterdam, en is pensionado. Op Facebook is hij nog heel betrokken bij zijn geboorteplaats. Hij volgt de Facebookpagina’s Rondje Goes, Kiekje Bevelanden en de Heemkundige Kring de Bevelanden. Ook deelt hij herinneringen aan zijn geboortestad, zoals dit verhaal.

‘Als kleuter op weg naar de roomskatholieke Bewaarschool aan de Wijngaardstraat nam ik vaak de route via de Brouwersgang en het het Ravelijn de Groene Jager. Ik gruwde van de domme bezigheden op die bewaarschool, zoals vouwen en plakken. Ik moest daar een jaar uitzitten tot ik als zesjarige eindelijk naar de Grote School mocht. Ik was na 1 oktober geboren, en dan mocht je pas een jaar later naar die ‘Grote School’.

Moeder was inmiddels halve dagen gaan werken op het kantoor van de Coöperatie aan de Bierkade. Het laatste jaar op de bewaarschool, niet met de normale juffrouw Plaisier uit Middelburg, maar met een strenge Franciscanes. Daaraan viel niet meer te ontkomen, eerder lukte het om niet te gaan door mij stil te houden tot op de radio om negen uur de aankondiging klonk van ‘Moeders Wil is Wet’. Dat betekende dat het te laat was om door moeder erheen te worden gebracht en ik gezellig de gesprekken kon volgen van de buurvrouwen die op de koffie kwamen , "kleine potjes hebben grote oren" zeiden die wel eens, en ik leerde daar veel...

De Franciscanessen in Goes waren de Franciscanessen van Etten, die een klooster, het Agnietenklooster, hadden in de J.P. Coenstraat 7 van 1958 tot 1994. Ze waren er actief in het onderwijs en assisteerden bij het Dekenaat Zeeland. Het klooster werd in 1964 verkocht aan de gemeente Goes.

Samen met een vriendinnetje van de familie Chamuleau uit de straat probeerden we kreten uit onder de poort, die de bejaarden in het aangrenzende rusthuis vast een hartverzakking bezorgden. Herinner me de veemarkten op de Beestenmarkt met koeien of varkens, mest in de goten en het ruwe boerenvolk. Het lokaal rechts op de foto van de Brouwersgang was 's-avonds het repetitielokaal van Harmonie Euphonia (nu Muziekvereniging Euphonia Goes), waar vader Lau op tenorsaxofoon en opa Jan op klarinet al generaties deel van uitmaakten. Nu is dit onderdeel van muziek/filmtheater 't Beest. Als ze in uniform een verplichte muzikale tocht meermalen per jaar door de wijken maakten of deelnamen aan een stedelijk evenement vanwege de gemeentelijke subsidie, stelden ze zich op het naastgelegen pleintje voor de brandweerkazerne op voor de afmars. Soms ging ik er wel naar kijken, of luisteren naar een concert op de muziektent op de Grote Markt, samen met een geringe geïnteresseerde groep van de bevolking. Er klonken marsen en bewerkingen van opera-ouvertures, soms erbarmelijk uitgevoerd. ‘Dichter und Bauer', of een stoutmoedige wurggreep van Wagner en altijd ontstemde klarinetten, die de vioolpartijen waren toebedeeld.

Wat me destijds geneerde was dat vader, vanwege zijn langdurige legerervaring als dienstplichtige sergeant achteraan buiten het gelid stapte en dan luid "Voorwaarts! Marrús!" riep om de groep in beweging te zetten. Dan wilde ik wel onterecht van plaatsvervangende schaamte door de grond zakken. Eén keer mocht ik bij hoge uitzondering bij een repetitie aanwezig zijn, de dirigent Van de Cingel had het goed gevonden. In zo'n kleine ruimte veroorzaakten al die blazers een enorm geluid, vooral als het slagwerk erbij kwam. Het wende na een tijdje en de dirigent vroeg mij wat ik er van vond. Naar waarheid antwoordde ik dat ik de klarinetten erg onzuiver/ "vals" vond. Want een groepje amateurklarinettisten samenspelend klinkt bijna even onwelluidend als een klasje blokfluiters. Je begrijpt dat die uitspraak tot enige consternatie leidde, van gelach tot verwijtende blikken van die blazersgroep, waaronder opa Jan. Dat was dan ook de laatste keer dat er kinderen bij repetities aanwezig mochten zijn.

Ook gingen ze wel doordeweeks op serenade, in de vooravond dus, voor iemand met een vers lintje bijvoorbeeld, zoals naar opa Jan vanwege een langjarig lidmaatschap van de harmonie. Dat betekende dat er stevig sterke drank ingeslagen was om de muzikanten na afloop één voor één te kunnen bedienen, die via de voordeur in een lange rij werden binnengelaten en vermoedelijk via de keukendeur en het zijpaadje een beetje joliger weer op het Schipperswegeling terugkeerden, zoverre ik me die gebeurtenis herinner.

Gepubliceerd 19 november 2025

Link naar het facebookbericht 


TEUNN

Soms kom je in de literatuur iemand tegen die ook zijn sporen heeft nagelaten op de Bevelanden. Dat is het geval in het vijfde deel van het dagboek van Han Voskuil (1926-2008) met als titel ‘De bodem van het bestaan’. Een boek dat dit jaar is verschenen en de periode 1976-1980 beschrijft.

Op pagina 357 lezen we over een gesprek over de kunstschilder Teun Nijkamp (1943-2018), bekend als Teunn. Zijn laatste jaren woonde hij in Kats op Noord-Beveland, en werd omschreven als een bourgondische Katsenaar. Hij stond aan het begin van de Kunstroute, die nog ieder jaar op dit voormalige eiland wordt georganiseerd.

Op 12 januari 2021 schreven we over hem:

Link

Teunn was een kunstenaar die veel produceerde maar wars was van een zelfportret. Op het wereldwijde web is geen enkel portret van hem te vinden. Daarom ter illustratie deze litografie uit 1975.

Een bevallige dame, zoals hij deze wel vaker schilderde of tekende, maar de titel verwijst niet naar deze dame. Het kunstwerk heet ‘The Hot Dog’, een verwijzing naar hetgeen ze naar haar mond brengt. Dergelijke grappigheden had hij meer in zijn werk, zoals ook blijkt uit het dagbookfragment van Voskuil.

Op een regenachtige zondag 23 oktober 1977 wandelt Voskuil met echtgenote Lousje Voskuil-Haspers door het dorp De Rijp in Noord-Holland. Ze zijn in gezelschap van de schrijver Henk Romijn Meijer (1929-2008) en diens echtgenote, door de Voskuilen, die met ze bevriend waren, Henny en Elisabeth genoemd. Deze vrienden waren bewonderaars van het werk van Teunn, die op dat moment een expositie had in Galerie Siau, Keizersgracht 267 te Amsterdam.

We citeren: “Door een groentetuin kwamen we de weg op en liepen in ganzepas in de stromende regen de weg terug naar De Rijp. 's Avonds, in droge kleren, bij Henny en Elizabeth gegeten.

Elizabeth vroeg of ik de tentoonstelling van Teun had gezien. Ik vind het wel knap, maar ook leeg. Een redelijk goed gescheiden landschap verknoeit hij door een rood broekje en een rooie béha in het gras te leggen. Waar is dat voor nodig? Elizabeth verdedigde dat met de opmerking dat het schilderij daar iets roods nodig had en dat het ook iets anders had kunnen zijn. Ik vind dat het helemaal geen rood nodig heeft en dat het toch wel degelijk ter zake doet wat het dan is. Zoals op de meeste schil-derijen van Teun wordt ook dit verpest door een grapje dat diepzinnigheid moet suggereren maar flauwekul is. Hij vraagt niet voor niets altijd om interpretaties. Als hij werkelijk wat te zeggen had, had hij de grapjes niet nodig. Het was duizelingwekkend dat mijn oordeel haar en Henny geweldig irriteerde en dat ze het niet begrepen. Hoe zou het ook. Zoals Teun schildert, zo schrijft Henny, belangstelling voor de techniek en grapjes voor het publiek. Dat staat me tegen. Ze verdedigde hem door hem met Gordijn (kunstschilder Herman Gordijn, 1932-2017) te vergelijken. Maar dat is geen vergelijking. Die ouwe, lelijke vrouwen van Gordijn zijn geen grapjes maar obsessies, al is het mijn obsessie niet. De overeenkomst die zij zien is zuiver technisch, en aangezien dat voor hen het enig belangrijke is, valt er niet te praten. Niettemin in goede verstandhouding uiteengegaan.”

Gepubliceerd 1 december 2025

Link naar het facebookbericht 


EEN OUDELANDSE GESCHIEDENIS

Vaak is de geschiedenis gewoon op straat te vinden. Zo maar een putdeksel in het wegdek of een steen in een woning waarop staat wanneer en door wie de eerste steen is gelegd. Een mooie zondagmiddag in het Bevelandse Oudelande. Een klapbanke rond een boom met een bordje dat deze plek De Kastelein heet. We schreven er al eens eerder over:

Link

Op mijn wandeling door Oudelande werd de aandacht getrokken door een woning die te koop staat. Een mooi bouwwerk met leilindes aan de Burgemeester Van Lierestraat 24. Een gedenksteen van de eerste steenlegging. Op 13 april 1904 is de eerste steen gelegd door J.E.W. Vaar, maar wie was dat? We zoeken op de website KrantenbankZeeland.

Het antwoord vinden we in de Goesche Courant van 16 april 1904: “Woensdagnamiddag is te Oudelande van de in aanbouw zijnde nieuwe Pastorie der Ned. Herv. gemeente van Oudelande de eerste steen gelegd door Mejuffrouw Johanna Everdina Wilhelmina Vaar, echtgenoote van den Edelachtbaren Heer Hugo Adriaan Mol, burgemeester van Oudelande.”

Wat opvalt is dat het de echtgenote van de burgemeester is, dus een gehuwde vrouw. In die tijd werden alleen ongehuwde dames aangesproken met mejuffrouw. Waarom hier dan geen ‘mevrouw’? Op 25 mei 1865 was zij in het huwelijk getreden met Hugo Adriaan Mol. Bruid en bruidegom waren toen 25 en 29 jaar. Beiden kwamen uit een familie van landbouwers. Op het moment van de ‘eerste steenlegging’ waren ze bijna veertig jaar gehuwd. Mogelijk een dorpse gewoonte die nog lang stand hield, en was dat ‘mevrouw’ maar iets van die vreemde stadse fratsen.

En al zoekende op ons mobieltje voor dat huis vinden we een artikel met de zinnen ‘Een doorsnee-bedrijf met een ongewone boer. Grondgebruik, productie en arbeid op het Zuid-Bevelandse landbouwbedrijf van Adriaan Vaar, 1847-1872’. Het is geschreven door J.A. Mol, een nazaat van Adriaan Vaar, mogelijk een kleinzoon van de Oudelandse burgemeester H.A. Mol, die gehuwd was met een dochter of kleindochter van landbouwer Vaar. Het is in 1986 gepubliceerd in Archief, het blad van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW).

Tot de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste was het geregeld bijhouden van een administratie onder boeren eerder uitzondering dan regel. De rapporteurs van de grote landbouw-enquête van 1886 konden bijvoorbeeld maar weinig boeren vinden die een regelmatige boekhouding hadden.

Wie wel de uitgaven, ontvangsten en resultaten liet registreren was zijn tijd ver vooruit. De enige Zeeuwse agrarische onderneming, waarvan de boekhouding bewaard is gebleven en ook gepubliceerd, is de koninklijke maatschap 'De Wilhelminapolder'. Dit ruim 1400 hectare vruchtbare kleigrond omvattende modelbedrijf heeft sinds de oprichting in 1809 een voortrekkersrol vervuld op allerlei terreinen in de Zeeuwse landbouw.

Een wat minder modern en groot bedrijf, in de periode 1847-1872, was het bedrijf van Adriaan Vaar (1821-1885). Hij was geen doorsnee-boer. Het bedrijf lag in oud cultuurland dichtbij het dorp Oudelande, in de 'Zak van Zuid-Beveland', en had een gemiddelde bedrijfsgrootte van ongeveer 35 hectare waarvan steeds 17 tot 18 hectare als bouwland werd gebruikt.

Uit het artikel wordt duidelijk dat Adriaan Vaar een invloedrijke landbouwer in Oudelande was. Hij was de jongste zoon van Willem Vaar en Johanna Walhout, van wie we opmerkelijk genoeg weinig informatie vinden op de website ZeeuwenGezocht. Moeder is in 1869 op 83-jarige leeftijd overleden, en was toen weduwe. Uit het artikel van de KZGW blijkt dat vader in 1834 is overleden. Adriaan Vaar had nog een oudere broer Jan Jobse Vaar die in 1838 is getrouwd. Uit dit huwelijk wordt een dochter geboren. Vervolgens nam hij in 1845 dienst in het Koninklijk Indisch Leger en overlijdt een jaar later op Java. Zijn weduwe, die afkomstig was uit Den Bosch, hertrouwt en dochter Johanna Vaar wordt in Oudelande opgevoed door grootmoeder en de ongetrouwde oom Adriaan Vaar.

De jongste zoon Adriaan Vaar was 13 jaar toen zijn vader in 1834 overleed. Omdat zijn oudste broer Jan Jobse Vaar in 1845 naar Java was vertrokken assisteert Adriaan zijn moeder bij haar financiële zaken. Vanaf 1846 koopt hij verschillende stukken grond in de omgeving van Oudelande. In 1866 koopt hij alle stukken grond van zijn moeder.

Dat is een opmerkelijke transactie omdat Adriaan Vaar op deze wijze in het bezit komt van het hele bedrijf van zijn moeder. Maar er is ook nog een kleindochter, de dochter van zijn overleden broer, die door hem en zijn moeder werd opgevoed. Deze nicht en kleindochter is Johanna Everdina Wilhelmina Vaar, in 1865 op 25-jarige leeftijd gehuwd met de 29-jarige Hugo Adriaan Mol, een landbouwerszoon, maar ongetwijfeld met aanzienlijk minder bezittingen

Dit huwelijk heeft niet de goedkeuring van de oma en oom die haar hebben opgevoed. Beiden waren bij de huwelijksvoltrekking niet aanwezig. Met de overdracht van het bedrijf en alle gronden aan Adriaan Vaar heeft men willen voorkomen dat dit bezit ooit na hun overlijden in eigendom zou komen van hun nicht en haar echtgenoot. Toen drie jaar later in 1869 oma overleed had ze alleen schulden en was het gehele bedrijf eigendom van Adriaan Vaar, die zijn hele leven ongehuwd en zonder nakomelingen zou blijven. Hij zou zich verder ontwikkelen tot een vermogende en invloedrijke ondernemende landbouwer. Het loon dat hij betaalde was vaak volstrekt willekeurig, waarbij zuinigheid hoogtij vierde.

Adriaan Vaar was geen makkelijke werkgever. Omdat hij zijn administratie heel precies bijhield zijn er ook veel aantekeningen van hem bewaard. De arbeiders die hij aanvankelijk van zijn moeder overnam, overleden kort daarna. Hun vrouwen waren allen in het oogstseizoen als losarbeidster werkzaam en raakten als weduwvrouw dit werk ook kwijt. Een vaste arbeider ontsloeg hij op staande voet voor het laden van mest voor zichzelf. Een ander werd ontslagen wegens stijfhoofdigheid. En weer een ander wegens slecht snijden. Soms verlaagde hij het loon van een arbeider.

Als vermogend ondernemer was het landbouwbedrijf toch niet zijn belangrijkste inkomstenbron. Zijn inkomen verdiende hij vooral met het verstrekken van leningen en hypotheken aan dorpsbewoners. Zijn schuldenaren waren arbeiders, boeren, ambachtlieden en twee veldwachters.

In 1885 overlijdt Adriaan Vaar op 64-jarige leeftijd. Uit de memorie van successie blijkt dat hij 81 hypothecaire leningen heeft uitstaan voor een totaalbedrag van 52.000 gulden, hetgeen hem 2500 gulden aan rente-inkomsten opleverde. In de Goesche Courant van 25 juli 1885 omschreef een dominee hem als een dorpsaristocraat van de beste soort. Een ander omschreef hem treffend als Avaar, een variatie op het Franse l’avare (de vrek). Zijn nichtje schreef op haar oom een gedicht, dat afgedrukt werd op een scheurkalender:

Wat scheldt ge op oom Avaar als elk tot smart geschapen, ls wrev’lig, norsch van aard, en bijna als ontmenscht? Kent ge edelmoedigheid, die aan de zijne grenst: Hij mat zich daag’lijks af om goud bijeen te schrapen Voor u nog een drietal knapen, Dat daag’lijks hem in d’afgrond wenscht

Door het ontbreken van een testament is zijn nichtje Johanna Everdina Wilhelmina Vaar, gehuwd met Hugo Adriaan Mol de enige erfgenaam. De echtgenote van de burgemeester die in 1904 de eerste steen legt voor de pastorie

Foto’s: de voormalige pastorie in Oudelande, Adriaan Vaar en de hofstede van Adriaan Vaar.

Gepubliceerd 8 december 2025

Link naar het facebookbericht 


MOLUKS ERFGOED

Het Samenwerkingsverband Moluks Erfgoed is in 2022 met het Moluks Historisch Museum te Den Haag gestart om onderzoek te doen naar het Moluks erfgoed in Nederland. De opzet was om samen met oud-bewoners, hun kinderen en kleinkinderen onderzoek te doen naar het woonoord Wyldemerck, het voormalig woonoord in de gemeente Fryske Marren.

Inmiddels is de opzet van het onderzoek verbreed en probeert men de historische context van de verschillende Molukse woonoorden te onderzoeken en vast te leggen. In Zeeland kwamen in 1951 de eerste woonoorden in Vlissingen en Middelburg. Spoedig daarna kwamen deze Ambonezenkampen, zoals ze tot 1970 werden genoemd, in Koudekerke en Westkapelle.

Minder bekend is dat er ook twee kleine kampen bestonden in Kruiningen. Kamp I aan de Zouteweg en kamp II aan de voormalige Wilgenweg, die niet meer bestaat en nu de Kanaalweg heet. Via Google proberen we de lokaties te vinden. Het blijkt niet onder Kruiningen te staan, maar onder Hansweert. Het is het gebied waar ooit de huizen van het voormalige Hansweert-oost stonden. Ze zijn verdwenen om het Kanaal door Zuid-Beveland te verbreden.

Enkele jaren geleden waren er nog restanten zichtbaar van de twee kampen. Van de Bond Heemschut kregen we het verzoek om eens ter plaatse te gaan kijken wat er nog resteert van dit erfgoed. Samen met de Kruiningse dorpsbewoner Sjaak van Loo gaan we op onderzoek.

Aan de Kanaalweg, bij de Zanddijk vinden we nog een restant van kamp II. Het is eigenlijk alleen maar een stuk betonnen vloer. Op het terrein een redelijk nieuw gebouwtje en het geheel afgerasterd met een groot hek met een bord ‘Hondendagopvang van de Huisdierenservice’. De onderneemster is toevallig aanwezig en vertelt dat ze dit stukje grond huurt.

Verderop zien we een gebouwtje dat van kamp II is. Tussen deze twee kampen heeft ooit een verbindingsweggetje gelegen. Het is nu omringd door landbouwgrond. Het is een stenen barak aan de Zouteweg waarvan de muren nog in redelijke staat verkeren. Het houtwerk is verwaarloosd, soms verrot, en de ruiten zijn kapot. De deur staat open. Zo te zien kan deze niet meer dicht. Klauterend over de bramenstruiken met doornen komen we binnen.

Binnen zijn verschillende tussenmuren gesloopt. Het bestaat uit twee ruimten. De ene van ongeveer zes bij tweeënhalve meter, en de andere ruimte ongeveer tweeënhalve bij twee meter. Deze kleine ruimte is vermoedelijk de was- en doucheruimte geweest omdat op de muur nog waterdicht geschilderd beton zit. De grote ruimte wordt als opslag gebruikt. Er staat een aanhanger en wat meubilair. Op de grond kun je nog zien waar de muren hebben gestaan. Aan de zoldering hangen de koperen restanten van een waterleiding. Volgens Sjaak is dit stenen gebouwtje de vroegere gemeenschappelijke keuken en badgebouw, zoals het er in 2005 nog stond. Hij herinnert zich dat daarnaast ook enkele houten en stenen gebouwtjes stonden, waar de Molukse bewoners woonden.

De meeste Molukse woonoorden in Zeeland zijn hergebruikte barakkenkampen van de DUW (Dienst Uitvoering van Werken), een dienst die werklozen inzette bij het herstellen van oorlogsschade. Woonoord Kruiningen I en II hebben echter een andere oorsprong: ze zijn na de watersnoodramp door het Zwitserse Rode Kruis (Croix Rouge Suisse) aan Nederland geschonken voor de huisvesting van dijkwerkers tijdens het dijkherstel na de Watersnoodramp van 1953. Het geheel is destijds geopend door Prins Bernhard, en heette officieel het Prins Bernhardkamp. Ook is er een naamplaatbord geweest waarop deze naam stond, maar dit is verdwenen.

We gaan op zoek op de website van KrantenbankZeeland en vinden in de kranten van maandag 17 augustus 1953 berichten over de opening. Het Barakkenkamp biedt plaats aan 480 personen. Er zijn twee kantines, twee keukens en tien logiesbarakken. Ook op Schouwen-Duiveland werden barakken geplaatst. In totaal boden ze plaats aan 1250 werkieden om de dijken te herstellen.

Na het vertrek van de dijkwerkers zijn de barakken bij Kruiningen/Hansweert gebruikt voor de Molukse bevolking. Dat waren militairen en hun gezinnen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) die in het net onafhankelijk geworden Indonesië aan Nederlandse zijde hadden meegevochten. Zij waren naar Nederland gerepatrieerd met het vooruitzicht dat hun verblijf hier tijdelijk zou zijn. Al snel werd duidelijk dat terugkeer naar hun geboorteland niet mogelijk was.

Nederland maakte kennis met een nieuwe cultuur en gewoonten. Dat leidde nog al eens tot ongemak tussen de lokale bevolking, bestuurders en de Molukse bevolking. Sommige Molukse mannen, die zich nog steeds als militair beschouwden, vonden dat hun verblijf tijdelijk was. Zij weigerden te werken in de burgermaatschappij. Anderen probeerden er maar het beste van te maken en wilden wel gaan werken. Dit leidde tot spanningen in de kampen. We lezen over andere leefgewoonten. In sommige kampen op Walcheren werden kippen en hanen onder de bedden gehouden. Houten plafonds werden gesloopt om als brandhout te dienen om het warm te krijgen. Taalproblemen zorgden voor vechtpartijen met de lokale bevolking. De situatie in de kampen, die ‘woonoorden’ werden genoemd werd er niet veiliger op. Menigmaal moest de brandweer uitrukken voor een beginnende brand.

Op 6 juli 2018 publiceerden we op deze Facebookpagina het verhaal van kunstenaar Ana Luhulima over haar ervaringen in kamp II in Kruiningen. Ze kwam in 1951 als tweejarig kind met haar ouders, broer en zusje naar Nederland. Haar vader was KNIL-militair. De eerste jaren woonde het gezin in Oostburg en daarna in een kamp in Kruiningen. Ana: “In Kruiningen waren twee kampen: Kruiningen I en II. Ze lagen onderaan een dijk en waren omringd door fruitbomen. We gingen in kamp II wonen, helemaal buiten de Nederlandse gemeenschap. Het kamp was afgeschermd en voorzien van een hek met een grote ijzeren poort. We verzamelden ons daar om naar de lagere 'School met den Bijbel' te gaan in het dorp. Bij de splitsing verderop stonden de kinderen van Kamp I op ons te wachten. Samen liepen we dan naar de school. Ons enige contact met 'buiten' was die school. Wel vreemd, ineens een gemengde klas met leeftijdgenoten. Je kwam puur om te leren. Het schoolgebouw was helemaal niet gezellig en had een lange kale gang, met over de hele lengte allemaal kapstokken. […] Zodra de school afgelopen was liepen we allemaal gezamenlijk in een lange rij terug naar het kamp. Zo vanaf de dijk gezien net een rij mieren op weg naar huis. Het kamp, dat was thuis, vertrouwd. Buiten het kamp speelden we niet. Het was dat vertrouwde gevoel van: hé, dit is mijn wereld. We speelden daar heel veel met elkaar: touwtje springen, knikkeren, vliegeren...”

Het volledige verhaal is te vinden op de website https://savertartworks.nl/4-ana-luhulima/ Begin jaren zestig waren de bewoners in de kampen bij Kruiningen weer vertrokken. Verschillende barakken werden verkocht en elders gebruikt. Een barak heeft nog als kantoniersopslag op het sluizenplateau van Hansweert gestaan. Een deel van de barakken is blijven staan en hebben onderdeel uitgemaakt van een kippenboerderij.

Op de website Moluks Erfgoed lezen we: “De kampen liggen langs de Zouteweg (Kruiningen I) en de Wilgenweg (Kruiningen II), in de ruimte tussen de dorpskernen van Hansweert, Schore en Kruiningen, een paar honderd meter van elkaar vandaan net ten oosten van het toenmalige Kanaal door Zuid-Beveland. Nadat in de negentiger jaren dit kanaal werd verbreed en ter hoogte van Hansweert iets verlegd in oostelijke richting, werden hierbij de laatste barakken van Kruiningen II geofferd voor de aanleg van de Kanaaldijk. Een halve barak resteerde die door een boer in gebruik werd genomen. De kampen waren van oktober 1954 tot respectievelijk maart 1960 en juli 1963 in gebruik en bestonden uit 11 of 12 barakken, waarvan in beide kampen eentje van steen en de rest van hout.

Deze waren om een middenterrein gegroepeerd en bestonden uit gezinsbarakken en een aantal barakken voor gemeenschappelijke voorzieningen zoals de keuken, kerk, een schooltje en kantine. Na sluiting van de kampen blijven de barakken tot 1971 zichtbaar op topografische kaarten. Dan worden de meeste barakken afgebroken. Van Kruiningen I resteert alleen de stenen keukenbarak, tot op de dag van vandaag. Van Kruiningen II blijven 7 barakken staan die op de topografische kaart van 1995 verdwenen blijken te zijn door de verlegging van het kanaal. Een halve barak resteert; in 1998 verdwijnt ook deze halve barak van de kaart.” Zie https://molukserfgoed.com/.../woonoord-kruiningen-i-en-ii/

Foto’s van de restanten van de voormalige Molukse kampen in Kruiningen op 5 november 2025.

Gepubliceerd 13 december 2025

Link naar het facbookbericht 


BURGEMEESTER EN SCHRIJVER

Van 2010 tot 2017 was Laurens Jozias (René) Verhulst burgemeester in Goes. In 1960 in hij in buurgemeente Kapelle geboren. Op Wikipedia vinden we van hem de omschrijving ‘jurist, schrijver, politicus en bestuurder’. In deze volgorde en dat is opmerkelijk. Veel mensen kennen hem als burgemeester (nu van Ede en daarvoor van Goes). Hij was al een aantal jaren gemeenteraadslid toen hij in 2000 zijn eerste boek publiceerde, een sleutelroman ‘Achterkant Stadhuis’ over zijn belevenissen in de Utrechtse gemeentepolitiek. Er volgden nog enkele vervolgboeken en boeken die gebaseerd waren op de Bob Evers-serie.

En nu komen we het verhaal tegen met de titel ‘Tweemaster’. Hij weet zelf niet meer wanneer hij het heeft geschreven. Als datum staat 7-9-2012 onder het verhaal. Verhulst weet zelf niet meer ter gelegenheid van wat hij dit geschreven heeft. Een school in de Goese Polder heet de Tweemaster. De naam komt van een oud verhaal over een in de Goese Polder ooit gevonden mast. Heeft het verhaal hiermee te maken? Het kan ook een verhaal zijn dat hij in 2013 als burgemeester in het kader van het Goese Latijns Amerikajaar heeft geschreven. In het verhaal is Lucas Pols de hoofdpersoon in de Banneling van Tobago, een stripboek dat geschreven is door burgemeester Verhulst en getekend door Danker Jan Oreel en werd uitgegeven in het kader van dit themajaar. Hoe dan ook, het is te mooi om er niets mee te doen. Te lang om het volledig op deze pagina te publiceren, daarom wat fragmenten.

“We schrijven het jaar 1657 in Goes. Om u een beeld te geven wat er toen gebeurde. Michiel Adriaanszoon de Ruyter voerde de Nederlandse vloot aan, het waren de hoogtijdagen van de handel door de West Indische Compagnie en Nieuw- Amsterdam, het latere New York, moest zich verweren tegen de Engelsen, Rembrandt schilderde zijn zelfportret. Het was de Gouden Eeuw, die zou duren tot het rampjaar 1672. Ook in de Goese haven is het een drukte van belang. De handel in zout, maar ook wol, bier en specerijen floreert. Het gaat iedereen goed in de stad, maar in dat jaar gebeurt er ook iets in de Goese polder, waar we nu nog de sporen van in de stad tegenkomen. Het is een verhaal dat deels op waarheid berust. Wat waar is gebeurd en wat niet laat ik over aan de fantasie van de luisteraars.”

“Op een zomeravond in augustus 1657 lopen er twee kinderen, Lucas en Marije, langs de Westerschans, dat is waar nu de sportvelden liggen. Ze zijn in de stad bij hun oma geweest en zijn op weg naar huis. Ze slaan met een stok in het gras en spelen tikkertje. Ze wonen op een kleine boerderij, bijna tegen de zeedijk aan. Daar waar nu de Wilsonstraat is. Van hun moeder moeten ze langs de schans lopen en vervolgens over de dijk tot ze bij hun huis zijn. Door de akkers lopen is gevaarlijk omdat het zompige grond is en er onverwacht diepe geulen met water kunnen zijn. Boerderij is trouwens een groot woord voor hun huis. Het is een kleine rieten woning en hun vader is schaapherder. Schapen zijn wel te houden op de kwelgronden. Het is die avond stil op het water. Lucas en Marije zien dat de zee bij de havenschansen er bijna olieachtig uitziet. Donker en spiegelglad, een vissersbootje drijft op een zuchtje wind door het kanaal, twee vissers bomen om het scheepje sneller te laten gaan en kijken bezorgd achterom. Nu pas horen Lucas en Marije een gerommel boven het water en zien een dreigende lucht aankomen.”

“Lucas blijft staan en kijkt naar de donkere wolken die snel op hen afkomen. Het gaat harder waaien en Lucas ziet nu een witte rand op de zee. Vreemd, maar dan beseft hij dat het schuimkoppen zijn. Er komt een storm op hen af.”

“Maar Lucas beseft dat het te laat is, ze moeten schuilen. De vissers hebben hun zeil een stuk opgehesen en maken gebruik van de windvlagen en de snel opkomende vloed om nog de haven in te komen. Die zijn al driehonderd meter verder. Aan de andere kant van de schans, op het galgenveld, ziet Lucas tussen krijsende meeuwen de lichamen van twee boeven in de wind bungelen. Die hadden mensen vermoord in de 's Heer- Hendrikskinderenstraat wist hij. Zijn vader was blij geweest dat dit gespuis onder marteling hun misdaad bekend had aan de baljuw.”

“Met grote passen, Marije achter zich aan sleurend, loopt de jongen de polder in. Dan begint het geweldig te regenen en is het in een oogwenk aardedonker. Beide kinderen worden door de regen en de wind bijna achterover gedrukt. Ze komen nauwelijks nog vooruit. Marije roept iets vlak achter haar broer, maar Lucas hoort het niet eens. Dan een geluid of er een houten wagen of over de keien dendert. Lucas beseft dat het de branding is, de muur van water die nu tegen de dijk aangolft. Verbeeldt hij het zich of vliegt het schuim hem om de oren. Het is echt zo, hij proeft het zout. Dan laat Marije opeens zijn hand los, ze blijft staan. Lucas struikelt en valt met zijn gezicht in de zompige klei. Hij komt half overeind en kijkt achterom, een enorme bliksemflits zet de polder een paar seconden in een hel licht. Marije staat stokstijf met haar enkels weggezakt in de grond en kijkt met grote ogen richting de dijk. Lucas volgt haar blik, maar dan is het weer donker. Water golft rond hun voeten.”

“Weer een flits, meteen gevolgd door donder en dan ziet hij de veilige plek. Nog een meter of vijftig. Marije struikelt weer. Lucas raapt haar op, ze lijkt helemaal verstijfd en kijkt hem met grote ogen aan. Lucas pakt haar bij de schouders en duwt haar voor zich uit. Ze zijn de geul uit, de grond is nat, maar ze komen vooruit. Hij moet er bijna zijn, dan botsen ze tegen iets op. Het beweegt. Lucas schrikt zich kapot, maar dan voelt en hoort hij aan het geblaat dat het een schaap is. Die weten de plek ook te vinden. Dan zijn ze er. Er staan nog een paar blatende doorweekte schapen. Lucas en Marije vallen neer.”

“Een aanhoudende flits. Lucas tilt zijn hoofd op en ziet de dijk. Een rand met daarboven, duidelijk te zien in het licht, een grote driemaster met half gereelde zeilen, waardoor een rood licht lijkt te schijnen. Een bulderende stem van een kapitein, een enorm gekraak en dan is het weer donker. Een driemaster denkt Lucas. Onmogelijk, die had hij al lang moeten zien toen ze een kwartier geleden over de schans liepen en zoveel zijn die er niet.

Hij kijkt weer, maar het regent nu zo hard dat de druppels wel steentjes lijken, hij moet zijn ogen dicht doen. Weer hoort hij boven alles uit die bulderende stem. Maar tegen wie heeft die kapitein het. In het want van de driemaster zag hij geen matrozen en die zeilen hingen er in flarden bij. Dat kan nooit zo snel gaan.”

Een fantasieverhaal, maar de feiten: Boven de Havenpoort van Goes stond in 1660 een driemaster. Die staat nu op het Soepuus. In augustus 1657 sloeg, tijdens een hevig onweer, de bliksem in het stadhuis van Goes. De kap brandde gedeeltelijk af. De kap is gerepareerd met een mast, dat is nu nog duidelijk te zien. Willem van der Decken, de kapitein van het spookschip de Vliegende Hollander kwam uit Terneuzen en probeerde verdoemd als hij was zijn thuishaven te bereiken. De Vliegende Hollander was een driemaster met zeilen waar rood licht door scheen.

Gepubliceerd 27 december 2025

Link naar het facebookbericht