Het Verhaal-Voorjaar en Zomer 2025

 

Het Verhaal-Voorjaar en Zomer 2025

 

 

DE VERVLOEKTE DAM

 Maandag 5 mei 2025 is het tachtig jaar geleden dat Nederland werd bevrijd van de Duitse bezetting. Dat herdenken we en dat vieren we. Een deel van Zeeland was al eerder bevrijd in oktober 1944. Daar ging een strijd aan vooraf die nu verfilmd en beschreven is als ‘De Slag om de Schelde’. Ook op de Sloedam werd hevig strijd geleverd. Het besef en het belang van die strijd kwam laat. Pas in 1987 werd er een monument op deze dam onthuld. 

Onder de kop ‘De vervloekte dam’ schreef PZC-journalist Bob Lagaay op 16 april 1987 hierover een artikel in de krant: “Bij de Canadese soldaten, de mannen van ‘The Black Watch of Canada’ en ‘The Calgary Highlanders’, staat de Sloedam, die verdoemde 1200 meter dijk tussen zee en niemandsland, nog altijd in het geheugen gegrift als ‘The Bloody Causeway’. En de Fransen, de D-compagnie van ‘Le Ré- giment de Maisonneuve’, hebben het over ‘Le pont maudit’. ‘

De vervloekte dam’ of ‘De brug des duivels’. Die barre novembermaand van 1944 zullen ze er meer dan 100 kameraden verliezen bij een poging om een bruggehoofd te vestigen op Walcheren. De strijd blijkt een taxatiefout, een verschrikkelijke vergissing zelfs. Maar als die waarheid door dringt, heeft het Duitse spervuur van de Gevechtsgroep Freiherr Von der Heydte en de Hermann Goering-divisie al de eerste slachtoffers gemaakt.”

In maart 1985 doet één van de overlevenden, luitenant-kolonel Charles Forbes, in het blad van Maison neuve verslag van de catastrofe. De drager van de Militaire Willemsorde, die op de Sloedam werd gewond, heeft het over een vrijwel verzwegen wapenfeit. Hij schrijft: ‘De Canadezen hadden met hun bloed bewezen, dat het ook met een overmacht aan mensen en materiaal niet mogelijk was met aanvaardbare verliezen bruggehoofden te vestigen als de aanvalslijn moet lopen via een kale onberijdbare afsluitdijk van 1200 meter lengte. Daarom had de aanval over de Sloedam na de desastreuze verkenningservaringen van The Black Watch of Canada onmiddellijk moeten worden gestaakt’.

Er wordt een comitee van hoogwaardigheidsbekleders gevormd, met o.a. de burgemeesters uit midden-Zeeland. Op initiatief van de heemkundige kringen Walcheren en de Bevelanden komt er een monument dat op 31 oktober 1987 onthuld werd door prins Bernhard. Een schoolklas uit Arnemuiden adopteerd het monument door jaarlijks een krans te leggen. 

Toch nog een smetje op het geheel zo lezen we in de PZC van 13 november 1987. Het betrof de onthulling van een ‘Canadees monument’ met een strakke tijdsplanning. Ruim tweehonderd bezoekers werden verwacht met enkele kransen en de prins had weinig tijd. Op het laatste moment wilden nog enkele Britse veteranen, die ook meegevochten hadden aan de strijd op de Sloedam, ook een krans leggen. Dat kon niet. Bovendien was het een monument voor de Canadezen; Britse monumenten waren er al genoeg.

Foto uit de PZC: Het werkcomité voor de oprichting van een oorlogsmonument op de Sloedam. Van links naar rechts: L. J. Abelman, A. J. Barth, L. D. de Vlieger en J. den Hollander.

Gepubliceerd 2 mei 2025

Link naar het facebook artikel 


 

 

ZOEKTOCHT NAAR ZEEUWSE LANDVERHUIZERS 

Als Heemkundige Kring ontvingen we enige tijd geleden een schriftje waarvan we de herkomst niet weten. We weten ook niet meer van wie we dit hebben ontvangen. Een groot aantal pagina’s zijn vol geschreven. De eerste zin begint met: “Deze brief bevat stukswijze de ontmoetingen omtrent onze reis, beginnenden den 10 April 1880 desnamiddags ten 2 ure van Rotterdam afgevaren door het kanaal tot aan nieuwe sluis.” Het blijkt een verslag te zijn van een reis met het eerste stoomschip van de Holland Amerika Lijn in 1880. Bij het stadsarchief Rotterdam zijn alleen passagierslijsten vanaf 1900. De vele pagina’s die beschreven zijn, eindigt met: “Groet al degene die in onze welvaart belangstellen. Ontvangt deze letteren in goede welstand en verblijd ons door van u lieden te doen hooren. Hebt de groete van de familie, wij zijn allen wel de Here zegene believen namens

 Jacobus Nieuwenhuijze Neeltje van Weele 

Elena Johanna Jacobus Katharina Johannis in een ander briefje” 

We zoeken bij het Zeeuws Archief en komen als ‘emigrant’ een Jacobus Nieuwenhuijze uit Kloetinge tegen. Hij in 1880 45 jaar, landbouwer, Christelijk Gereformeerd, en heeft een vrouw en 6 kinderen. Land van bestemming is de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Wat de namen van zijn vrouw en kinderen zijn weten we niet. We vinden nog meer. De schrijfwijze van de namen is anders, maar vermoedelijk gaat het om Jacobus Nieuwenhuijse en zijn vrouw Neeltje van Weele uit Kloetinge met hun kinderen. 

Onze vraag is nu: WIE HEEFT DIT SCHRIFTJE AAN ONS GEGEVEN? EN WIE KAN IETS OVER DEZE FAMILIEGESCHIEDENIS VERTELLEN? 

Foto’s: Omslag van het schriftje en de eerste en laatste beschreven pagina.

Gepubliceerd 7 juni 2025

Link naar het facebookartikel


MUNTENVONDST

 In de grond van een van de grootste landbouwbedrijven van Nederland, de Wilhelminapolder, zitten nog al wat verborgen schatten. In 1809 werden de schorren en slikken even ten noorden van de stad Goes ingepolderd door 24 kooplieden uit Rotterdam, aanvankelijk met het doel de grond te verkopen. De grondprijzen stonden echter onder druk, dus brachten de kooplieden de grond zelf in cultuur. Ruim 200 jaar later is de Wilhelminapolder nog steeds een akkerbouwbedrijf. Aan het eind van de vorige eeuw is er weliswaar een stuk grond verkocht voor het graven van een meer en de aanleg van een luxe woonwijk met golfbaan (het Goese Meer), maar verder kijk je tot de Oosterschelde uit over een landbouwgebied. 

Toch zijn er nog wel eens mensen met een metaatdetector te vinden. Regelmatig worden er munten en uniformknopen van het Franse leger van Napoleon gevonden. Kees Westerweel uit Goes is iemand die nog wel eens vragen heeft over zijn vondsten. We schreven daar al eens eerder over op deze pagina: 

Link naar deze pagina 

 Zie ook: Link 

Nu stuurde hij twee foto’s met iets dat leek op een munt of penning met de vraag: “Kunt U uitleg geven waartoe deze penning diende...wat voor verhaal hierachter zit ?” We kregen gelijk een reactie van ons panellid Rob Bitter: “de munt is waarschijnlijk een 'token' munt voor een winkel in Brussel, met de naam ‘La petite Cendrillo’ - een winkel voor sjaals en kledingaccessoires – met aan de andere zijde de tekst dat deze winkel hofleverancier is voor het Belgische hof. 

Ook Toon Franken komt met deze informatie. Hans van Felius komt daarna met de reactie: “De munt is technisch gezien geen munt, dat is een wettig betaalmiddel. Ik zou het eerder een penning noemen. Het lijkt een beetje op een metalen tegoedbon, omdat er sprake is van een magasin in Bruxelles. Misschien levert een zoektocht naar dat magasin aanknopingspunten op?”

En Peter Frijhoff stuurt ons de link van de website van het Stadsmuseum Gent: STAM | Reclamepenning van de firma La Petite Cendrillon te Brussel . Ad Beenhakker vult nog aan dat het een textielwinkel in Brussel was: ' La Petite Cendrillon' (De Kleine Assepoester) aan de Marché aux Herbes (Grasmarkt). Maar hoe komt zo’n penning in de Wilhelminapolder? En is er iets meer van dit bedrijf bekend. We vroegen het aan het Stadsmuseum Gent, zij hebben immers een penning van het bedrijf in hun collectie. 

Maar helaas, zij weten ook niets van het bedrijf. In de Brusselse archieven valt er misschien wel iets terug te vinden, maar dat heeft geen prioriteit van het museum en ze besluiten met: ‘Het is inderdaad wel boeiend dat dergelijke penning bij jullie gevonden werd. Misschien werd er grond uit België gebruikt voor de inpoldering of werd de penning via de Schelde tot bij jullie gebracht? Of misschien verloren door een bezoeker/arbeider? We zullen het inderdaad nooit weten.’

Gepubliceerd 20 juni 2025

Link naar dit facebookartikel


VAANDEL MUZIEKKORPS BAARLAND

 Op 1 september 1913 werd in Baarland een fanfarekorps opgericht. Op de encyclopedie van Zeeland van de Zeeuwse Bibliotheek (ZB) vinden we onder Fanfare: “Alhoewel in Zeeland reeds eerder harmonie- en fanfareverenigingen bestonden (bijv. in Hulst, Kruiningen, St.-Annaland en Heinkenszand) zijn de meeste verenigingen omstreeks 1898 (aanvang van de regering van koningin Wilhelmina) opgericht.” 

In Baarland was dit dus vijftien jaar later. Als naam koos men ‘Prinses Juliana’, naar de in 1909 geboren kroonprinses en dochter van de nog jonge koningin Wilhelmina en prins Hendrilk.

 We lezen verder op de website van de ZB: “In principe dient het plaatselijke korps als levende begeleiding of als gangmaker van de feestvierende bevolking. Het wordt dan ook gedragen door de bevolking.” Bekende pioniers bij deze muziekkorpsen waren de dirigenten Jan Morks (1865-1926) van het Middelburgse muziekkorps en de in in Wissenkerke geboren Eduard Flipse (1896-1973), die zelfs landelijke bekendheid zou krijgen. 

In 1917 werd in Zeeland de Zeeuwse Bond voor Harmonie- en Fanfare gezelschappen opgericht. Als oprichters kunnen o.a. genoemd worden de heren A.C. Blok te Kruiningen, Flipse te Wissenkerke en Constandse te Goes. Aanleiding tot de oprichting van deze organisatie was de behoefte aan onderlinge uitwisselingen op de z.g.n. festivals en evenementen zoals de Kruiningse, de Heinkenszandse en de Kwadendamse kermis.

Enige tijd geleden werden we benaderd door Jan de Witte uit Baarland. In zijn schuur staat het vaandel van het voormalige muziekkorps Prinses Juliana uit die plaats. Het in 1913 opgerichte korps is inmiddels opgeheven. Hij was de laatste penningmeester en zoekt een bestemming voor het vaandel van dit muziekkorps. We zoeken hem op waar hij trots dat vaandel laat zien. Het staat in een vitrinekast achter glas opgeborgen in het schuurtje.

 Een cultureel erfgoed dat zeker de moeite waard is om te bewaren. Het ziet er nog goed uit omdat het altijd bewaard is in deze kast. Ook is het niet blootgesteld aan zonlicht zodat de kleur nog redelijk authentiek is. Het zou mooi zijn als zo’n vaandel een plaatsje zou krijgen in Baarland, bijvoorbeeld het verenigingsgebouw of een andere locatie. 

We benaderen enkele inwoners uit het dorp met interesse voor historie. Van Piet Louisse krijgen we bericht dat men een mooie lokatie heeft gevonden. Het vaandel staat nu in de toren van de Maartenskerk van Baarland.

 In de PZC van 18 juli 2011 lezen we nog een laatste bericht. Het bestuur probeert nog enkele nieuwe leden te werven. Als dat niet lukt wordt het muziekgezelschap aan het eind van dat jaar opheven. Het 100-jarig bestaan kan dan niet meer gevierd worden. Penningmeester Jan de Witte zegt: “Dan is het na 98 jaar einde oefening.” In dat jaar geeft men op Tweede Kerstdag in het Gasthuis in Goes het laatste optreden.

Gepubliceerd 24 juni 2025

Link naar het facebookartikel


 

HET ZEEUWSE BINTJE 

In Historiek, een onafhankelijk online geschiedenismagazine vinden we een artikel over de geschiedenis van het aardappelras Bintje. Hoewel deze aardappel bekend staat als een Zeeuws product ligt het begin in Friesland. Wel groot geworden door een Zuid-Bevelandse aardappelhandelaar. We nemen een gedeelte van het verhaal over. 

Vijftig jaar geleden was het Bintje het belangrijkste aardappelras van Nederland. De ideale aardappel om patat friet mee te bakken. In België doen ze het nog steeds, de bekende Vlaamse frieten.

 De aardappel als voedingsmiddel maakte een lange reis. Vanuit Zuid-Amerika kwam hij terecht in Nederland. In het Friese Suameer was Kornelis Lieuwes de Vries (1854-1929) hoofdonderwijzer van de plaatselijke openbare lagere dorpsschool. In 1894 behaalde hij de landbouwakte en ging hij landbouwcursussen geven en experimenteerde met het kweken van nieuwe aardappelrassen. 

De Vries noemde zijn nieuwe aardappelrassen naar zijn eigen kinderen, maar ook naar leerlingen en oud-leerlingen van zijn school. Zo werd in 1905 het bintje vernoemd naar de toen 17-jarige Bintje Jansma, dochter van Minke en Teade Jansma. Ze werd in 1888 geboren en was 88 jaar oud toen ze in 1976 in Franeker overleed.

Aan de hand van een gevonden jute aardappelzak gaat schrijver Lex Veldhoen op zoek naar het Bintje. Volgens hem werd jute meer dan vijftig jaar geleden vervaardigd in India of een ander tropisch land aan de andere kant van de wereld. Van het restproduct, de vezelige schil van de kokosnoot, werd een zak gemaakt, die gebruikt werd om een ander agrarisch product in te verpakken: het Hollandse Bintje. 

Saillant is dat we op Wikipedia vinden dat jute verkregen werd uit de stengels van planten uit het geslacht Corchorus. Deze groeien voornamelijk in warme vochtige gebieden, zoals India, Bangladesh en China. 

Maar hoe het ook zij, er werd een jute zak gevonden met de opdruk in rood en blauw en het bedrijfsembleem CMK, dat opgehouden wordt door twee Zeeuwse leeuwen. De zak met inhoud werd geëxporteerd naar Italië met onderaan in het Italiaans de tekst Patate di Consumo, en in grotere rode letters BINTJE, met daar aan toegevoegd: Olandesi. Zo’n zak werd een halve eeuw later teruggevonden in Venetie. 

Een Zeeuwse vriendin van de schrijver, oafkomstig van een boerderij, weet te achterhalen dat de gevonden bintjeszak met de opdruk CMK afkomstig is van boer en aardappelhandelaar Cees Meijer sr. uit Kruiningen. Eind tachtiger jaren waren zestig procent van de aardappelvelden in ons land volgepoot met dit aardappelras. 

Cees Meijer is een bekende naam in de aardappelindstrie op Zuid-Beveland. In 1920 start hij met een handel in aardapelen in Kruiningen. Van de boeren in de omgeving kocht hij de aardappeloogsten op om die weer te verkopen aan aardappelexporteurs in de grote steden. Zo’n handelaar werd toen een aardappelcommissionair genoemd. In 1948 neemt zoon Henk het bedrijf over en gaat internationaal zaken doen.

 In 1985 - en inmiddels staat de derde generatie Meijer aan het roer, wordt gestart met de productie van diepgevroren aardappelproducten en aardappelvlokken. Dit is het begin van Meijer Frozen Food. Een kleine tien jaar later volgde een samenwerking in de vorm van een joint venture met de Amerikaanse aardappelverwerker Lamb Weston. De naam werd Lamb Weston/Meijer. Inmiddels is de naam Meijer vervallen en staat er geen familielid meer aan het hoofd van het bedrijf. De aardappelhandel, die ooit het Bintje verkocht, is succesvol geweest. Kleinzoon van de oprichter en naamgenoot Cees Meijer staat met zijn geschat vermogen nog steeds in de Quote500 van rijkste Nederlanders. 

Met het Bintje gaat het minder goed. De aardappel heeft een gemengde reputatie als het op milieu-impact aankomt. Hoewel de Bintjes lange tijd populair waren vanwege de smaak en veelzijdigheid, zijn ze ook bekritiseerd vanwege hun gevoeligheid voor ziektes, wat leidt tot intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit heeft de aardappel de bijnaam "gifpieper" opgeleverd. Supermarkten weren om die reden ook het Bintje. 

Foto: Verkoop van Zeeuwse Bintjes in 1964.

Gepubliceerd 14 juli 2025

Link naar het facebookartikel


DE GEKROONDE VALK 

De St. Jacobstraat 28 in Goes is nu het woonhuis van Sebastiaan Boomgaard die ons attent maakte op de geschiedenis van dit pand. Een treurig verhaal noemt hij het en verwijst naar de website Goesdronk. We gaan op onderzoek. 

De eerste foto die we zien is van een tegel waarop het pand staat afgbeeld met in sierlijke letters het onderschrift ‘Doctor Kooman, aangeboden ter herinnering aan diens gouden feest 13 mei 1853 - 13 mei 1903. De Zuid-Bevelandsche collega’s’. Zo te zien is de foto gebruikt voor de achterzijde van een boekje omdat er een ‘barcode’ op staat. Als we het ISBN-nummer opzoeken komen we op ‘Ach lieve tijd, Zeeland. Een blad over historische onderwerpen, met als titel ‘Twintig eeuwen Zeeuwen en hun rijke verleden’. In deel 17 zou een artikel moeten staan over ‘armen en zieken’ waar mogelijk iets in staat over dokter Kooman. Het is een periodiek dat uitgegeven is in 1996-1998 en gebundeld nog tweedehands te koop. 

We vinden een artikel in de Middelburgsche Courant van 15 mei 1903. ‘Te Goes heeft een zeer achtenswaardig en zeer werkzaam man Woensdag een zeldzaam feest gevierd, nl. zijn gouden jubileum als dokter. Het is de heer J. Kooman Azn., wien dit voorrecht te beurt viel. En wie den krasse, bijna 79-jarigen man kent met al zijn ijver en toewijding voor zijn vak, met zijn gezond humanisme, zijne hartelijkheid, …..’ Ook in de Goesche- en Zierikzeesche Courant stonden berichten. 

Een kleinzoon had in sierlijke letters op perkament met Esculaap een oorkonde in ‘oud-Hollandsche taal’ gemaakt. ‘Den dertiende van Meimaand vijftich jaar was het dat Dr. J. Kooman Adriaensoene hem tot Goes in Holland als Medicijnmeister tottie pracktijcke gaf’.

 Jan Kooman was op 21 september 1824 in Goes geboren. Op 3 augustus 1843 trouwt hij op 19-jarige leeftijd met de 18-jarige Maatje Maria de Wijs, die ook in Goes is geboren. Zijn vrouw overlijdt in Goes op 7 september 1888 op 63-jarige leeftijd. Op het moment van zijn jubileum was dokter Kooman dus al 15 jaar weduwnaar. 

Dokter Kooman was in Goes lid van de gezondheidscommissie en de schoolcommissie. In 1889 - Kooman was inmiddels 65 jaar - had de dokter ontslag gevraagd als ‘armendokter’.

In de Zierikzeesche Nieuwsbode van 29 december 1889 lezen we dat de dokter meer dan twintig jaar de ‘genees-, heel- en verloskundige armenpraktijk’ had uitgeoefend. De gemeenteraad van Goes moest een ‘armendokter’ benoemen. Men probeerde dokter Kooman tot andere gedachten te brengen en hem nog voor een periode van drie jaar te benoemen. De dokter bleef bij zijn besluit zodat de gemeenteraad op zoek moest naar een andere gemeentearts. Op 19 februari 1909 overlijdt dokter Kooman op 84 jarige leeftijd. Op 24 november 1909 wordt door notaris van Dissel in De Prins van Oranje in Goes een openbare verkoping van het huisraad van de overleden huisarts gehouden. Naast het meubilair van stoelen, tafels en ledikanten is er ook een grote partij wijnen. 

Op 19 mei 1934 opent Pieter Korsuize in de voormalige dokterswoning het café-biljart De Gekroonde Valk. Het bericht vinden we in de Middelburgsche Courant van die dag. Blijkbaar heeft hij de advertentie mondeling op zijn Zeeuws opgegeven want als ondertekening staat ‘P. Korsuuze’. Op 6 juni 1936 lezen we in het christelijk historische dagblad De Zeeuw dat Korsuize en zijn gezin uit het Noordbevelandse Wissekerke is verhuisd naar de St. Jacobstraat 28 te Goes. Kort daarna wordt het café overgenomen door Bram van der Weele. In dagblad De Zeeuw van 14 december 1936 komen we een bericht over het café tegen met als kop ‘Vreeselijke moord te Goes’. Een aantal ‘jongelui’ uit de Bevelandse dorpen had wat teveel bier gedronken. Er ontstond ruzie, waarbij de 27-jarige N. Mieras uit ‘s-Gravenpolder dodelijk werd geraakt door een dolk van een 22-jarige man uit Nieuwdorp. De dader wordt tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld. In het artkel staat dat het café van A. van der Weele is. In 1937 wordt hij ook eigenaar van een hotel in Middelburg, waar hij tot 1948 eigenaar van is. In 1940 verhuisd hij ook naar Middelburg. 

We zoeken verder op het adres St. Jacobstraat 28 in Goes. In Dagblad De Stem staat dat op 19 december 1946 Ververij en Chemische Wasscherij Perfecta uit Nijmegen een filiaal opent op dit adres. Het is een bedrijf dat daarna in verschillende Zeeuwse plaatsen een filiaal opent. In het Zeeuwsch Dagblad van 4 mei 1948 staar een advertentie dat in Zeeland alleen nog in Goes en Middelburg een filiaal is van deze stomerij. De andere filialen zijn blijkbaar gesloten. In 1950 komen we nog advertenties tegen van contactpersonen van deze stomerij in Zierikzee. De naam Perfecta was blijkbaar een hype voor iets dat perfect was. We komen in die eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog ook andersoortige bedrijven tegen met de naam Perfecta, zoals corsetten en steunkousen, maar ook voor het zo handige theebuiltje. Het alom bekende Bisonkit begon in Goes in 1938 met de productie van schoenmakerslijm ook onder de naam Perfecta. Wanneer het filiaal van de Nijmeegse stomerij in Goes is gesloten weten we niet. Na 1948 komen we geen advertenties meer tegen van de Goese vestiging. 

Nu is het voormalige café, dokterwoning en stomerij weer een gewoon woonhuis. Eind jaren zeventig van de vorige eeuw zijn de St. Jacobstraat en omliggende straten in dit gedeelte van Goes gerestaureerd. Dit stadsdeel was in zeer slechte vervallen staat. Sommige woningen waren half ingestort en hadden scheefhangende ramen en deuren. Vaak werden ze gebruikt als pakhuis. In de jaren zeventig startte het stadsvernieuwingsbeleid van de rijksoverheid. Ook Goes wist daarop in te springen en kwam met een plan voor dit deel van de binnenstad. De PZC schrijft op 16 augustus 1979: “Nieuwe fase restauratieplan rond St. Jacobstraat Goes”. Sommige panden worden afgebroken en in oude stijl herbouwd. Andere panden worden gerestaureerd. Ook het pand in de St. Jacobstraat 28 wordt opgeknapt. Nu is het een sociale huurwoning die door Beveland Wonen wordt verhuurd. 

Foto’s: De herdekingstegel uit 1903 van 50-jarig jubileum van dr. Kooman en de woning St. Jacobstraat 28 in Goes in de huidige staat.

Gepubliseerd 1 augustus 2025

Link naar het facebookartikel


VILLA HAVENOORD 

We ontvingen een vraag over de buitenplaats Havenoord in Goes. Of we daar iets meer van weten en of er foto’s van zijn. De oud-oom van de vragensteller was Leendert Guiljam die er met haar oud-tante woonde. We leggen deze vraag voor aan de leden van de klankbordgroep van de Heemkundige Kring. Al snel komt er een reactie. 

Peter Frijhoff weet te melden dat Marinus Adrianus Lindhout vermoedelijk de laatste bewoner was. Hij is in 1838 in St. Philipsland geboren als zoon van Jacob Cornelis Lindhout en Adraantje van Dijke. In 1927 is hij in Goes overleden. Villa Havenoord moet ongeveer op de plaats gestaan hebben waar nu de Praxis langs het kanaal staat. Het had vroeger als adres Oosthavendijk G9.

 Kees Griep, een ander lid met veel expertise over de lokale historie, stuurt dezelfde foto met nog wat meer toelichting. Het is een luchtfoto gemaakt door de Technische Dienst Luchtvaartafdeeling in 1921 of 1922. Hij meldt dat villa Havenoord in 1928 publiek is verkocht aan de aannemer P. Chamuleau uit Goes. In 1931 werd de buitenplaats doorverkocht aan de NV "De Schelde" te Bergen op Zoom, voor de oprichting van een zaak in bouwmaterialen. In 1932 volgde de aanbesteding van de bouw van een houtloods op het terrein Havenoord te Goes, door houthandel A. van Riesen te Bergen op Zoom. 

Van Peter Frijhoff krijgen we nog een link van een website met een artikel van voormalig archiefmedewerker Willy van Meegen met als kop ‘Havenoord en Hoeve Naaldwijk’. Wat hebben die twee met elkaar te maken? Het is een artikel in het blad ‘Wij van Zeeland’, een uitgave van de Nederlandse Genealogische Vereniging Zeeland uit 2018. Het leest als een roman en we nemen het graag over. 

Een zekere Jaco Overbeeke was bij het Gemeentearchief geweest om uit te zoeken in welk jaar Maria Janna Overbeeke hoeve Naaldwijk in Wolphaartsdijk had gekocht, de boerderij waar hij toen zelf in woonde. Hij wist al dat het rond 1895 moest zijn en wilde het graag precies weten.

 Maar wat heeft dit met villa Havenoord te maken? Het begint met de militair Leendert Guiljam uit Sint Maartensdijk, inderdaad de oud-oom van onze vragensteller. Deze Leendert kreeg door een beetje bluf tot twee keer toe een grote erfenis in de schoot geworpen. Eerst verwierf hij het kapitaal van zijn vrouw, daarna nog dat van haar zuster.

Jaco Overbeeke kende dit verhaal al door het artikel 'De levensgeschiedenis van Leendert Guiljam', dat hij via via van familie ontvangen had.

 Na een bevordering bij de infanterie in 1833 kwam Leendert in Hoorn terecht. Vlakbij de kazerne stond een landhuis waarin twee al wat oudere maar schatrijke, ongetrouwde zusters woonden. Ze hadden nog een zus, die wel getrouwd was. 

Volgens de overlevering hadden de jonge officieren elkaar opgestookt om een van de rijke dames een huwelijksaanzoek te doen. Omdat niemand echt wilde, werd er geloot en het lot viel op Leendert Guiljam. 

Intussen overleed de jongste van de twee zussen, zodat er een overbleef: Jacoba. Zij was ruim achttien jaar ouder dan Leendert. Ze trouwden op 25 februari 1836. Een paar maanden later benoemde ze haar kersverse echtgenoot tot haar enige erfgenaam. Het echtpaar woonde afwisselend in Hoorn en Amsterdam. Al in 1837 overleed ze, het huwelijk duurde slechts vijftien maanden. Leendert zegt in een advertentie: 'Heden trof mij de zwaarste slag mijns levens, door het afsterven van mijne dierbare en onvergetelijke echtgenoote, Vrouwe Jacoba Maria van de Blocqerij, in den ouderdom van 53 jaren na slechts 15 maanden in een allergelukkigsten echt met haar verenigd te zijn geweest.' 

Het verhaal wordt nog opmerkelijker. Op 29 juni van datzelfde jaar scheidde de overgebleven zus, Geertruid Ida, van haar man en trok bij Leendert in. Ze trouwden en Leendert kocht een nieuw huis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Ook dit nieuwe stel woonde beurtelings in Hoorn en Amsterdam. Dit huwelijk duurde aanzienlijk langer, Geertruid overleed in 1871. Nu had Leendert het kapitaal van alledrie de zussen.

 Hier komt het verhaal bij Jaco Overbeeke. Een nichtje van Leendert Guiljam, Maria Janna Overbeeke (1838-1911), dochter van zijn zus, trok bij hem in en zorgde tot zijn dood in 1879 voor hem. Eerst in Amsterdam, later in Goes, waar Leendert villa Havenoord had aangekocht. Het nichtje erfde alles. Zij was de zus van de betovergrootvader van Jaco. In 1882 trouwde ze met Henri Ferdinand van Renterghem (1850-1896) een telg uit een bekende vermogende familie in Goes. In 1891 scheidden ze. 

Maria Janna overleed in 1911 en liet haar kapitaal na aan haar neven en nichten. Ze werd begraven in Kloetinge. Het vervolg van villa Havenoord vinden we in de Goesche Courant van 2 maart 1928. De neven en nichten waren blijkbaar nog steeds eigenaar van deze villa. Op 15 maart 1928 is er ‘ten overstaan van de notarissen Pilaar en Van Dissel’ een openbare verkoping van de villa in De Prins van Oranje voor de erfgenamen van mevrouw M.J. Overbeeke. 

De villa wordt omschreven als de ‘buitenplaats Havenoord’ met de omschrijving “gelegen aan de Haven te Goes, bestaande uit HEERENHUIS, BIJGEBOUW, GARAGE, STALLING, SCHUREN, TUIN, BOOMGAARD, HOVENIERINGEN EN INDUSTRIETERREINEN’. Het was een omvangrijk gebied van ruim een hectare, eigenlijk het hele gebied langs het kanaal tot aan het Goese Meer, dat toen nog landbouwgrond was.

 De veiling omvat zeven percelen, waaronder weilanden in Kapelle, Waarde, Kruiningen, Krabbendijke en Yerseke. Er zijn drie dagen waarop je de terreinen kunt bezichtigen voor één gulden per persoon. De opbrengst is voor de ‘Goesche wijkverpleging’.

In de Goesche Courant van 16 maart 1928 lezen we de uitslag van de verkoping. Het terrein met boomgaard en opstallen van villa Havenoord worden verkocht voor vijftienduizend gulden aan de Goese aannemer P. Chamuleau. 

Na het overlijden van Maria Janna Overbeeke in 1911 hebben de erfgenamen de bezittingen niet gelijk verkocht. De verschillende weilanden en boomgaarden zullen vermoedelijk verpacht zijn. En Villa Havenoord heeft men blijkbaar verhuurd aan M.A. Lindhout, misschien wel als een soort anti-kraak zoals we dat nu kennen. Nadat deze bewoner in 1928 is overleden hebben de erfgenamen al deze bezittingen verkocht. 

Ook daarna bleef villa Havenoord de gemoederen bezig houden. De verkeerssituatie vanaf de Oude Singel richting Kattendijke was een weg met scherpe bochten. Vooral in de ‘bietenperiode’ leverde dat gevaarlijke verkeerssituaties op. In de Goesche Courant van 13 juli 1928 staat een ingezonden brief die anoniem is ondertekend als ‘Oud-Goesenaar’. Hierin wordt gepleit om de weg te verbreden en recht te trekken bij Havenoord, eventueel door ‘genadewerk’. Met dit laatste zal vermoedelijk de werkverschaffing zijn bedoeld. In die periode werd gestart met het laten uitvoeren van werkzaamheden door werklozen. 

Ook in de Goese gemeenteraad leidde de situatie in Havenoord tot vragen. In de Nieuwe Zeeuwsche Courant van 25 juni 1931 vroeg het raadslid Crucq aandacht voor ‘den treurigen toestand op woninggebied die er in Havenoord heerscht’. Blijkbaar woonden er toen in de villa vier gezinnen. Of dit illegaal was of formele huurders waren weten we niet. 

Het zou nog tot 1932 duren voor er verandering zou komen in de situatie van Havenoord. In de Vlissingsche Courant van 5 november 1932 lezen we dat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven ‘Houthandel firma van Riesen, Goes’ omdat ze op het terrein van ‘voormalig Havenoord’ een handel in houtwaren en aanverwante artikelen wil vestigen. 

Foto 1: Luchtfoto met villa Havenoord. 

Foto 2: Villa Havenoord. 

Foto 3: De laatste bewoner van villa Havenoord, Marinus Adrianus Lindhout (1838-1927).

 Reacties: Peter Frijhoff: Nog een aanvulling op de geschiedenis van Havenoord: In het voorjaar van 1929 besteedt de N.V. Bataafsche Import Mij de uitbreiding van haar benzinedepot aan op het voormalige terrein van Havenoord. Laagste inschrijver is L.F. Groosman uit Middelburg voor fl. 23.500. Voor een deel van het werk vraagt Groosman in het najaar van 1929 10 grondwerkers, sollicitanten dienen zich te melden bij Havenoord. Het lijkt erop dat Groosman of de Bataafsche kantoor hielden in de villa. Mogelijk werden hier ook tijdelijk werknemers gevestigd, die aanleiding gaven tot 'den treurigen woontoestand' waarop raadslid Crucq de aandacht vestigde. 

Mart Overbeeke: Het verhaal is niet helemaal correct. Mijn overgrootvader is daar geboren. Zijn vader is geboren in Heerhugowaard waar ze gewoond hebben in een woning dat later een verzorgingshuis geworden is.

Toen Leendert Guiljam naar Goes is gekomen is zijn zus Aaltje Overbeeke-Guiljam ook mee gekomen met de kinderen. Eén van de kinderen was Maria Janna Ooverbeeke. Deze is getrouwd geweest met Ferdinand van Rentergem wiens vader een jaar eerder failliet was gegaan. Deze Ferdinand is naar de Keizersgracht in Amsterdam vertrokken en reder geworden. Later is Marinus Lindhout bij tante ingetrokken. Dit was een zoon van een arts uit St. Annaland. Deze mocht levenslang van het vruchtgebruik van de erfenis gebruik maken. Daarna is de erfenis onder alle neefjes en nichtjes verdeeld. Aaltje Overbeeke-Guiljam was eerst getrouwd met Leendert Goedegebuure en later met Jacobus Overbeeke. Uit het huwelijk met Goedegebuure is een dochter geboren die later is getrouwd met Pieter Zanddijk. Op de dijk stond een huis dit hoorde ook bij Villa Havenoord. Daar heeft de oudere broer Laurens J Overbeeke nog gewoond Charles van Renterghem de vader van Henri Ferdinand was eigenaar van de Meestoof welke naast de villa stond. Hier maakten ze garacine de rode kleurstof uit de meekrap, deze ging in 1881 failliet. Zo vermogend waren ze dus niet meer. Henri Ferdinand werd vermogend door zijn huwelijk en scheiding met Maria Janna Overbeeke. Bij haar overlijden in 1912 had Maria Janna Overbeeke alleen aan onroerend goed fl.362.630,00.

Gepubliceerd 5 augustus 2025

Link naar het facebookartikel


 

EEN FAMILIEKRONIEK

 Enige tijd geleden een mailtje van een zekere Pepijn Martens waarbij hij het lidmaatschap van zijn vader Dies Martens opzegde omdat die is overleden. Een bekende naam onder de Zeeuwse historici. De volgende vraag wa s of we interesse hebben in zijn archiefstukken. Dat hebben we en we willen het graag ophalen. De schrijver van dit stukje kende de naam, zoals hij vele namen kent, en dacht even een ritje te moeten maken naar een dorp in de Zak van Zuid-Beveland. Daar komt immers de familie Martens vandaan. Het bleek dat Dies al ruim vijftig jaar niet meer in Zeeland woont. Het werd een ritje naar het Brabantse Oudenbosch. Daar woonde Dignus Matheus Martens, op 18 november 1944 in Ovezande geboren en op 15 april 2025 in Oudenbosch overleden. Volgens zoon Pepijn ging zijn vader in de jaren zeventig in Roermond aan de Hogere Landbouw School (HLS) studeren. Na zijn opleiding ontmoette hij de op 20 maart 1943 in Arnhem geboren Christina Wilhelmina Lammers (Tineke). Trouwde, kreeg twee zonen en vestigde zich in Brabant. We ontvingen al eens eerder van hem een bijdrage waaraan we aandacht besteedden:

Link naar het facebookartikel

Dies ging werken als artsenbezoeker bij een farmaceutisch bedrijf. Zijn hele leven bleef zijn hart kloppen voor zijn geboortestreek, de landbouw, de historie en de genealogie. Zoon Pepijn: “We gingen ieder jaar, ook met de kleinkinderen, wel naar de Zak van Zuid-Beveland. Op de begraafplaats van ‘s-Heerenhoek liggen opa en oma begraven. Hun grafstenen zijn er nog. Ome Toon Martens, een broer van Dies, had er met Kiekieris en De Geveltjes een bekend uitgaanscentrum opgebouwd.”

Ook hier schreven we al eens eerder over: 

Link naar het eerdere facebookartikel

 Al woonde hij er niet meer, hij bleef een trouw bezoeker van Zeeuwse archieven. Vele dagen bracht hij daar door. Hij stond aan de basis van het Genealogisch Centrum Zeeland, in de jaren tachtig gestart in het gemeentearchief in de Wijngaardstraat in Goes, nu in het Zeeuws Archief in Middelburg. Ook hier liet Dies Martens zich horen in de genealogie

Link naar deze pagina

 Bij het leeghalen van de boekenplanken op zijn werkkamer in zijn huis in Oudenbosch probeer ik me een beeld van hem te vormen. Hij is afkomstig uit een katholiek boerengezin. Naast de historie was hij ook een wijnliefhebber. Dat duidt ook op een bourgondische inslag. Naast de vele boeken over wijn en de historie daarvan, maakte hij ook zelf wijn. Samen met een aantal mensen had hij in Oudenbosch een wijngaard.

 Naast bijna alle exemplaren van het tijdschrift de Spuije van de Heemkundige Kring, vinden we ook genealogiën van verschillende families die verwant zijn aan de familie Martens. Historische boeken over met name Zuid-Beveland, maar ook Zeeuws-Vlaanderen. Ik maak Pepijn attent op het ruim duizend pagina’s monumentale boek ‘Over Den Vier Ambachten, 750 jaar Keure, 500 jaar Graaf Jansdijk’. We laten het staan als een belangrijk document van een streek waar ook de wortels van deze familie liggen. 

Met een auto vol geladen met boeken en documenten gaan we weer richting Zeeland. Thuis maar eens kijken wat we er mee kunnen doen. Veel zal ook wel aanwezig zijn in archieven, maar er zitten vast wel fragmenten in die zich lenen voor een artikeltje op deze Facebookpagina. Foto: Dies Martens tijdens een bezoek aan het gemeentearchief van de gemeente Borsele.

Foto: Dies Martens tijdens een bezoek aan het gemeentearchief van de gemeente Borsele.

Gepubliceerd 10 augustus 2025

Link naar het facebookartikel


DE ELITE VAN TOEN

 In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw bestond de elite in stad of dorp uit de burgemeester, de dominee, de huisarts en de directeur van het postkantoor. Hoe dat er soms aan toe ging in een stadje als Goes vertelt domineeszoon Fré Metselaar regelmatig op Facebook. “In zo’n rangen- en standenmaatschappij was het ook voor die elite niet altijd een vetpot. Men moest zijn stand ophouden en voelde zich verplicht af en toe iets te organiseren. Het was soms hongeren. Mijn vader verdiende in die tijd ook zo weinig dat ik dikwijls in verstelde kleding van een neefje of een klein gebouwde oom rondliep.” 

Begin augustus 2025 een bericht in de krant dat de vakantiehuizen in Kamperland onbetaalbaar dreigen te worden. De gezinsleden van dominee Metselaar waren de eerste vakantiegangers in Kamperland. Zoon Fré: “Kort na de Tweede Wereldoorlog kocht mijn vader ons eerste vakantiehuisje - een nissenhut - voor 225 euro. Dat moest vervolgens weg omdat het terrein werd opgekocht door De Banjaard.” De eerste vakantiehuisjes op dit stukje Noord-Beveland werden er gebouwd. “In onze eerste zomervakantie in Kamperland hadden we altijd logés: neefjes, nichtjes, vriendjes, vriendinnetjes, ooms, tantes, grootouders.” 

Dat vakantiehuisje van de dominee werd afbetaald met extra middagpreekbeurten in de omliggende dorpen. Officieel was zo’n preek gratis, maar er werd hem altijd wel een enveloppe met een paar papieren rijksdaalders toegemoffeld. “

We zaten er jaren als enigen en zagen het hele duin als ons bezit. In een zomer was er plotseling beweging: de burgemeester van Goes, Ten Kate, had het bij zijn Wissenkerkse collega voor elkaar gekregen dat hij er voor een paar weken met vrouw en kinderen een bunker betrok. De jaren ervoor speelden wij in de zelfde bunker met de mitrailleur die erop gemonteerd stond.” “

Ik kende mevrouw Ten Kate al, want mijn ouders maakten af en toe een reisje, waarop wij kinderen af en toe werden ‘uitbesteed’. Ik vond het altijd heerlijk, zo'n logeerpartij bij vreemde mensen. Ik zou een keer bij mensen gaan logeren, waarvan mijn moeder zei dat zij naast de burgemeester op het Ravelijn de Grenadier woonden. Ik verstond alleen maar het woordje burgemeester en belde bij Ten Kate aan, rieten koffertje in de hand: ik kom logeren! Kom binnen, zei de mevrouw en ik kreeg er thee en koekjes. Op een gegeven moment vroeg ze of ik echt zeker wist of ik kwam logeren. Jaha, aarzelde ik. Waarop ze mijn ouders belde. Het bleek dus om de buren te gaan.” 

Foto’s: De familie Metselaar voor hun nissenhut onderaan de zeedijk bij Kamperland.

Gepubliceerd 25 augustus 2025

Link naar het facebookartikel


LEVEN VAN DE WIND

 In Bulletin, het blad van de Oudheidkundige Kring De Vier Ambachten, nummer 3 van 2025, komen we een artikel tegen over de Bevelanden. Onze zusterorganisatie richt zich op oost Zeeuws-Vlaanderen, maar soms maken mensen een oversteek naar de andere zijde van de Westerschelde. Zo’n situatie lezen we onder de kop ‘Leven van de wind’, met daaronder de zin ….’ie kwam van Kouwekérke en zie uut Eremuui’n …. 

Het gaat over Willem Anthonij Schout die in 1823 in Koudekerke is geboren en Francina van Eenenaam die in 1821 in Arnemuiden is geboren. Hun wieg stond dus op Walcheren. In 1844 trouwt molenaarsknecht Willem met bakkersdochter Francina in Arnemuiden. In Arnemuiden is Willem molenaar van de 8-kantige korenmolen ‘De Nijverheid’. De molen was een grondzeiler, dat betekent dat de molenaar vanaf de grond de zeilen bedient op de wieken, die over de grond scheren. Een stevig hek of haag zorgt er voor dat mensen of dieren niet geraakt worden. De uitdrukking ‘Een klap van de molen’ komt daarvan. Volgens de molendatabase is de molen in 1736 gebouwd en in 1977 verdwenen. Onder de naam ‘Nooitgedacht’ is er in 1981 weer een nieuwe molen gebouwd. 

In 1844 wordt hun eerste dochter geboren en in 1846 hun eerste zoon. Veertien dagen na diens geboorte vertrekt het gezin naar ‘s-Heerenboek en vestigen ze zich in dit Bevelandse dorp. Daar overlijdt hun zoontje van vijf maanden. De 23-jarige Willem heeft op 20 oktober 1846 in ‘s-Heerenhoek voor zesduizend gulden ‘De Kraaijerts molen’ gekocht van Izaak Naeije, bakker te Borssele. Het was een korenmolen van voor 1634 die later de naam ‘Juliana’ heeft gekregen. De molen is in 1937 verdwenen en stond aan de - hoe kan het ook anders - Molendijk. 

Willem kreeg zware concurrentie van de in 1846 in Nieuwdorp gebouwde molen. Uit de datamolenbase blijkt dat er in dat jaar in het buurtschap Coudorpe een molen is gebouwd die in 1863 is verplaatst en bekend werd onder de naam ‘Oranjeboom / Molen van Rijk’. In 1942 is deze molen verdwenen. Al in 1852 ziet Willem zich genoodzaakt zijn molen te verkopen. Hij verkoopt hem voor dezelfde prijs waarvoor hij hem heeft aangekocht aan Pieter Boonman, een landbouwer in Borssele.

In de periode dat het echtpaar Schout-van Eenenaam in ‘s-Heerenhoek woonde werden nog drie dochters geboren. Allen zullen de volwassen leeftijd bereiken. 

Het is een tijd van strenge winters, voedseltekorten en misoogsten van aardappelen. Mede hierdoor vertrekken veel verarmde Zeeuwen naar Amerika. Ook de dan 29-jarige Willem Schout en zijn 32-jarige echtgenote Francina van Eenenaam vertrekken. Ze steken niet de oceaan over maar de Westerschelde. In 1852 vestigt het echtpaar met hun vier dochters zich in het Zeeuwsvlaamse Zaamslag. Ze hebben daar de korenmolen ‘De Hoop’ gekocht. Het is een in 1803 gebouwde standerdmolen die in 1903 is verdwenen. In Vlaanderen wordt het ook wel een staakmolen genoemd. Het is het oudste type houten molen met een dikke rechtopstaande stam (de standerd of staak) waarop de molen rust.

 Maar op het moment dat ze de molen kopen komen er nieuwe ontwikkelingen. Een tijd die bekend staat als de industriële revolutie. In Engeland was deze al eerder begonnen en met de afscheiding van België was daar de technische ontwikkeling ook al gestart. Nederland liep eigenlijk wat achter, maar ook hier zette deze ontwikkrling zich door. Er worden molens afgebroken of naar elders verplaatst. De concurrentie was hevig. Ook in de persoonlijke sfeer hadden Willem en Francina veel tegenslagen te verwerken. In Zaamslag worden tussen 1852 en 1858 vijf kinderen geboren, waarvan er drie binnen het eerste geboortejaar overlijden. 

En dan komen we een vreemd bericht tegen. In het artikel staat dat er een openbare verpachting is aangekondigd van een wind-koornmolen bij Vlissingen. Eigenaar is W.A. Schout te Zaamslag. In de Middelburgsche Courant van 28 mei 1857 komen we de advertentie tegen. Terecht merkt de schrijver van het artikel op dat je zou verwachten dat Willem met zijn gezin naar Vlissingen zou verhuizen. Dat gebeurt niet. Wat de reden hiervan is wordt niet bekend, maar in 1859 verkopen ze de molen in Zaamslag en vestigen ze zich in het vijftien kilometer zuidelijker gelegen grensdorp Overslag. 

Het gezin vestigt zich op een grote hoeve met boomgaard en rosmolen. Sinds 1802 woonde daar de burgemeester van Overslag. Na diens overlijden in 1858, en na enkele maanden ook van het overlijden van diens neef en opvolger, bouwt de familie Schout een nieuwe molen, die ‘Ronde Molen’ als naam krijtgt. Het is een zogenaamde stellingmolen, die in 1925 al weer is verdwenen. In Overslag worden nog drie kinderen geboren, die allen de volwassen leeftijd bereiken. De oudste kinderen zijn inmiddels volwassen en vestigen zich in België en Frankrijk. De romp van de molen in Overslag staat er nog steeds en is nu rijksmonument op het adres De Gebuurte 1, Overslag. In 1865 wordt de molen verkocht en vestigt het gezin zich in Vlissingen. Daar wordt in 1865 hun veertiende en laatste kind geboren. In deze plaats overlijden ze ook, Willem Schout in 1884 en zijn vrouw Francina van Eenenaam in 1901. 

Foto’s: Francina van Eenenaam (1821-1901) echtgenote van Willem Anthonij Schout (1823-1884) en de romp van de molen te Overslag.

Gepubliceerd 10 september 2025


HERMAN LAMMERS 

(1901-1989) Recentelijk ontving het Historisch Museum De Bevelanden te Goes een fors stuk in de categorie moderne streekgeschiedenis, namelijk een schilderij van de Karnemelkse Hoeve te Goes, geschilderd door Herman Lammers (1901-1989) uit Heinkenszand. Herman Lammers was huisschilder en behanger van beroep, maar in zijn vrije tijd kunstschilder, muziekleraar, koordirigent, dichter, zondagsschoolleider – en ook nog medeoprichter en lange tijd voorzitter van de lokale winkeliersvereniging Winbela. In het museum bevond zich al een schilderij van de schietwei van Soranus II in Heinkenszand, te zien in de huidige zaal Met Man en Macht. Bent u nieuwsgierig naar de kleurrijke heer Lammers? Op deze website vind je meer info over deze veelzijdige kunstenaar: 

Link naar de website 

 Reacties:
Rien Passieux Helaas, een Karnemelksehoeve heeft er nooit bestaan, de naam is later bedacht, het was de hoeve van Janse in mijn jeugd. De Kerremelksepit was in mijn jeugd, jaren ‘30, ‘40, een onbetekenend overschot van een plaats waar eerder het vee verzorgd werd. Was trouwens nog best een eind van de hoeve vandaan. Je kon er wel leuk spelen!


Peter Bolderman Toen begin jaren 70 het gezinsvervangend tehuis De Karnemelkshoeve werd gebouwd, was een van de plannen om de boerderij in het plan te integreren. Het bleek te duur en verder dan een maquette is het niet gekomen. Maar via het GVT bleef de herinnering aan de hoeve bewaard. Toen het GVT in 1997 werd afgebroken kwam een aantal bewoners in twee twee-onder-een-kap woningen te wonen die op de locatie werden gebouwd. Ze mochten zelf een naam voor hun huis bedenken en ze kozen voor namen die verwezen naar De Karnemelkshoeve. In 2017 verkocht Gors de woningen en verdwenen de naambordjes. En daarmee verdween de laatste verwijzing dat ooit op die plek een boerderij De Karnemelkshoeve heeft gestaan.


Ad Fraanje Hij vroeg ooit aan mijn vader of hij een paar zijn tekeningen mocht ophangen in onze meubelwinkel op hoekje Papegaaistraat Korte Vorststraat. Later verkocht mijn vader Perzische tapijten. We hebben ze nog allemaal, niets verkocht, en hij heeft ze nooit meer opgehaald.

 

Gepubliceerd 18 september 2025

Link naar het facebookartikel


ZEEUWSE ELITE 

‘In Holland geportretteerd, in Zeeuwse collecties beland’ is de titel van een artikel in het Tijdschrift Zeeland van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW) van september 2025. In het artikel ook een passage over de Goese regentenfamilie Ketelaer uit de achttiende eeuw. 

Zeeuwse Portretten uit de achttiende eeuw is de titel van de tentoonstelling die van 3 juli tot 9 november gehouden wordt in het Stadhuismuseum te Zierikzee. Bij die tentoonstelling verschijnt van kunsthistoricus Jim van der Meer Mohr een gelijknamige publicatie. 

Uit het onderzoek naar de Zeeuwse portretkunst in de achttiende eeuw blijkt dat de Zeeuwse elite zich vaak liet portretteren, soms zelfs meerdere malen in zijn leven. De opdrachten werden echter lang niet altijd in het Zeeuwse verstrekt, maar ook tijdens een bezoek aan Holland waar men voor zaken of familiebezoek was. Den Haag was als regeringsstad voor velen de plek waar men na zijn studie werkte en woonde. Dat gold ook voor veel Zeeuwen, die daar niet zelden hun loopbaan zijn gestart. 

Tot hen behoorden Cornelis Ketelaar (1690-1764) en zijn vrouw Catharina Maria Clement (1694-1738), die na hun huwelijk in 1721 een korte periode in Den Haag hebben gewoond, voor zij zich in Goes vestigden. Ketelaer, in Den Haag geboren als zoon van mr. François Ketelaer en Maria Eversdijck, was werkzaam aan het Hof van Holland en Zeeland. Zijn vrouw kwam uit Zierikzee als dochter van notaris Gillis Clement en Maria Laems. In 1732 werd Ketelaer raad van Goes en vervolgens schepen van 1732-1749 (vergelijkbaar met gemeenteraadslid en wethouder) en gezworene van de Breede Wetering. In Den Haag lieten beide echtelieden zich portretteren. Het portret van Ketelaer wordt terecht toegeschreven aan Johannes Vollevens II (1685-1759) en hoewel dat van de vrouw ook op diens naam staat, is dit stuk mogelijk door Harmanus Serin (1677-1756) geschilderd. Vollevens en Serin bedienden beiden in het eerste helft van de 18º eeuw de markt voor portretten.

 Toch zijn er verschillen aan te wijzen. De manier waarop bijvoorbeeld de jurk van Catharina Maria Clement is geschilderd. Tenslotte zijn ook de lijsten verschillend, nog los van het feit dat die van Ketelaer bekroond wordt met het familie- wapen. Beide portretten zijn gezien de identieke maatvoering ongetwijfeld wel als pendanten besteld. 

De familie woonde in Goes aan de Grote Markt 17 waar dit schilderij waarschijnlijk als schoorsteenstuk heeft gediend. De zonen, die in een apart groeportret zijn afgebeeld, zijn later ook op het pluche beland. François Nicolaas Ketelaer wordt raadslid, schepen en burgemeester van Goes en Gilles Clement Ketelaer raadslid in Goes en schepen in Zierikzee. Catharina Maria Ketelaer is getrouwd met Adriaan François Lammers (1718-1799), griffier van Axel en het Ambacht, en Digna Cornelia Ketelaer met Marinus de Jonge, legerkapitein, raadslid, schepen en burgemeester van Zierikzee en lid van de Staten van Zeeland. Van Serin is ook een portret bekend van Dignus Ketelaer (1674-1750), een oudere broer van Cornelis Ketelaer, die als Raadsheer aan het Hof van Holland ook in Den Haag woonde. Nadat Vollevens in 1732 dit groepsportret heeft gemaakt kreeg Serin de opdracht de kinderen Catharina Maria (1730-1784), Dignus Cornelis (1733-1794) en Adriana Susanna (1735-1755) te portretteren. Dignus Cornelis Ketelaer zou later raad en burgemeester van Goes worden en zijn zusje Adriana Susanna is getrouwd met mr. Jan Willem Boddaert (1736-1775), schepen en raad van Goes. Beiden zijn in 1775 met drie kinderen in volle zee verdronken, komend uit Demerary (Guyana). 

Foto: Portretten van Cornelis Ketelaer (1690-1764) en zijn vrouw Catharina Maria Clement (1694-1738).

Gepubliceerd 20 september 2025

Link naar de facebookpagina